Orgas

Het haardvuur knapt
Nog langer brandt de zee
Maar hand in hand
En helemaal als we smelten
Lijkt de tijd wel dood
Helemaal als we even weg zijn
van elkaar.

 
 
 

Wit licht

Wil je me
mateloos, ingetogen
langs de rand
van het zwembad of de branding
Wil je me
als de lotus of joggend
langs het strand of bij de fontein
Wil je me
met huid en haar of mijn gedachten
of alles bij elkaar?
[Om maar niet spreken van mijn ik
en wat ik dan wil]

 
 
 

Afgrond

Weg ga ik
van al te veel
al vrees ik ook wel
alleen over te blijven
met de pijn van het leven
Ik zoek m’n weg
langs de randen van contact
Ik loop langs de weg van spijt.

 
 
 

Laagland

Ons landje, neder landje
is best wel wat
als je kijkt naar geld en kennis
het valt in het niet
als je in ogenschouw neemt
hoe groot de oceanen zijn
dan leven die nederlanders eigenlijk
ook wel weer aan de rand van een vulkaan.

Omarmde [terust]

De woorden zijn nog geen zinnen
verschuilen zich, spelen nog verstoppertje
Ik doe zachtjes aan
Aarzelend klopt één op de deur
van mijn gedachten

Het fluistert van de tijd van onverschrokkenheid
van uit volle macht scheuren op de step
over de brede stoep
mijn ogen open voor de wereld

Het bos van de stad was nog groot
Opa met de eekhoorn op zijn schouder
Ik wist niet dat ik klein was
al wist ik me geborgen.

 

Wel, wel

Nee, nee, ik pieker niet
Alleen, als het donker is
geworden, dan kan mijn hoofd
het niet laten om willekeurig wat
me te binnen te schieten
alles wat bij daglicht dan links
blijft liggen, uiteenlopend
van krokodillen en katten en pyramiden
van de supervisor die vertrekt
en wat ik daar wel niet van vindt
van mijn pa waar ik dan twee van heb
– nurture vs nature –
van banktegoeden en de moed
– onafgemaakte associaties –
van pipo en zijn geschminkte lach
en of dát dan gelukkig maakt
van geloof en onzin en houvast
van regelmaat en reinheid: hoe
– hoe, hoe dan, in vredesnaam –
van de regenboog en de loterij
het geluk en hoe je dat
van lot naar her
en dergelijke
of zo
.

 
 
 

Tandeloos (een kerstgedachte)

sta ik met mijn mond vol tanden
als het jochie in mij vraagt
wat dan wel de zin is
– buiten deze –
van niet alleen maar dit leven
maar ook nog hemel en hel
al dan niet op deze aard

Met een beetje geluk
zo stamel ik
weet je er wat van te maken.

Mocht je nu hier zijn

O wacht, dat ben je, jij
die dit leest
en een beetje van mij
tot je neemt
Als je me niet kent
dan hoop ik maar
dat je niet mijn kop wil doen houden
– al ben ik daar wel gehecht aan, aan mijn kop –
Als je me niet kent
misschien heb je even tijd
in ons korte leven
een moment te delen wat kostbaar is
Ik houd van mijn leven
vooral als ik niet ongelukkig ben
en zelfs daarbuiten houd ik eraan vast
Zoveel schelen we denk ik niet
De smaak van een stuk ananas
De geur van vers gemaaid gras
Of van kaneel
Je lief die je aankijkt
Zo goed ken ik je niet
Ik geef je de hand
een omhelzing, wat je wilt
een kus als het je om het even is.
[En zo hier is het makkelijk gedaan]

 
 
 

Ongekunsteld leven

Kinderen weten nog niet van de toekomst
Wie van de toekomst
– de eventuele –
geen weet heeft
is – onschuldig – als een kind
Ook wie ouder is
heeft vaak geen benul
al verkeert men in het besef van wel.

 
 
 

Over leven en werk

Wie leeft om te werken is een slaaf
Wie werkt om te overleven is er iets beter aan toe.
Wie werkt om te leven nog wat beter
Wie niet hoeft te werken om te leven, is nog net niet best
En dan heb je ook nog diegenen die voor hun werk leven…
Dan heb je wat omhanden en ben je nog gelukkig ook

En, voordat ik het vergeet, er is helemaal geen recht, geen recht op werk, geen recht op leven zelfs, dat wil zeggen, niet buiten de afspraken en rechten om die we zelf voor elkaar weten te boksen. Rechten, plichten en moraliteit: allemaal van menselijke origine. Niks absoluuts aan. Dat kan zowel verontrustend zijn, als hoopgevend. Hangt waarschijnlijk ervan af hoe je in het leven staat. Wel…