Vissen

Opa hield van vissen
Ik niet zo
Zelfs al ving ik wel ’s wat
als ik terug kwam met oma
van een ijsje kopen even verderop
– in een park in Buitenveldert, Amsterdam –
en ik bleek dan opeens beet te hebben
zo’n glibberig zilverig wezen aan de haak:
het mocht me niet bekoren
Maar opa kon nooit fout doen.

Barsten

Vermoeid stuurt mijn hoofd
mijn gedachten her en der
heen, voor zover het
nog tot zover komt.

Ondertussen neemt mijn hart
– vader en moeder van
mijn verlangen en mijn tranen –
de gelegenheid te baat
en wurmt zich, ontworstelend
aan het toom van mijn denken,
naar boven en vraagt
en vraagt en vraagt

vraagt los te gaan
met de golven mee .

Uithuizense jaren

Voetballen op het nog lege veld
naast de begraafplaats daar in Uithuizen
Spelen met plastic soldaatjes bij ’t klasgenootje
dat even voor een vriendje doorging
of boompje klimmen of op doel staan
of een verdwaalde fiets bovenhands gooien
in de vijver, aangemoedigd en al
terwijl ik las bij de vleet
uit de bibliotheek
en uit de boekenkast thuis
en celloles had tot de pubertijd
Ik dook wel van de hoge
want dat broekie deed dat ook
Opa uit Amsterdam kwam er wonen
maar ik was al weg, niet meer die ik was
toen ik nog vertrouwen had, alleen vertrouwen had
al was het alleen in hem.

Onderweg verheugd

Misschien verbeeldde ik me niet de zang
die ik al voetstaps hoorde
in de ochtend op weg
en al zag ik de bron, de vogel in de boomkruin
Het was toch zeker geen merel?
Was het dan een lijster?
Vragen die verbleekten bij de tonen
Vragen waar mijn oren niet om vroegen.

Hartig

Altijd al op glad ijs
Aan klapschaatsen kwam ik niet toe
Wel ging ik snel van houtjes
naar lage en zelfs naar de hoge noren
Dat nam niet weg dat ik ooit op de terugweg
van Groningen-Appingedam op het Boterdiep
vermoeid met terneergeslagen blik
in het wak met eenden en dergelijke
pardoes en toen met schoolse slag
naar de overkant zwom
– bij Zuidwolde –
Of ik nu aarzelend schaats of zwem
van harte gaat ’t niet
al maakt mijn hart zo af en toe een sprong.

Dat was nog eens [Schoorl]

Niet heel ver van de zee
voorbij de duinen waar ik
mijn vliegtuigje katapulteerde
in het vakantiepark
dat weet ik niet hoe groot was
zoals het bos dat we betraden
waar we verdwaalden
en het onweer verontrustte
en ik aandrong als grote kleuter
op toch maar eens die andere weg
na de tweede passage, of de derde
die ons inderdaad weer veilig thuis bracht
naar ons houten huisje in het vakantiepark bij Schoorl.

 

 

Voorbij altoos [Amsterdams peil]

Altijd leefde ik zomaar ergens
Ik wou dat ik kon leven in mijzelf
De lucht is blauw. De lucht is zwart
Soms istie grijs en de zon kan branden
Het zand aan de zee is onderhevig
aan de wind, aan de zee
Mijn opa was een baken
te lang geleden
in Amsterdam.

 

 

Omarmde [terust]

De woorden zijn nog geen zinnen
verschuilen zich, spelen nog verstoppertje
Ik doe zachtjes aan
Aarzelend klopt één op de deur
van mijn gedachten

Het fluistert van de tijd van onverschrokkenheid
van uit volle macht scheuren op de step
over de brede stoep
mijn ogen open voor de wereld

Het bos van de stad was nog groot
Opa met de eekhoorn op zijn schouder
Ik wist niet dat ik klein was
al wist ik me geborgen.