Uitgeput

Wacht! Wacht nou toch even!
Laat dit licht
bij het invallen van de avond
dat de wolken oplicht
banen trekt
en de waterspiegel kleurt

Deze dag begint nu pas te leven
Al was jij het niet
die het afweten liet
en boog je heldere dag
heen om mijn zwarte gat

Minder vaak taal ik meer
ernaar je te drinken
van zongewelde vruchten
in een fles, in een glas
over mijn tong naar mijn gemoed
dat alsnog de lichtheid proeft
van het leven van alledag

al is het
net zo ogenschijnlijk waar
als de wereld op de bodem van de put.

Een dag met corona +

Van 37,8 naar 39,0
Werk afgeblazen
Weer naar bed in de ochtend
Weer op voor de middag

Van wat koud naar warm
en zweten geblazen
Als een zombie
een online afspraak met webcam en al
die dus niet zo zinvol bleek

Dan weer alsof de koorts brak
en even hopen dat ’t daarmee was gedaan
maar allengs stijgt de hitte weer naar ’t hoofd

Toch nog een bord
rijst met broccoliprut gegeten
Met mijn labiele ik een flashmob bekeken
[ van deuntje en dansen op Zorba de Griek in Ottawa ]

om te breken
als mijn gebroken hart opspeelt
en zich dan niet laat ontkennen.
Te moe. Te moe
behalve voor een afwas voor ’t koken
en wat woorden tot besluit.

Aangeschoten maar niet wild

Licht versluierd, een bleke zon
scheen niet zozeer op mij neer
maar ook de wind hield niet over
Ik ging gezwind op strakke banden
– op mijn sportieve fiets –
en groette de joggers en de wandelaars
en wie al tegemoet kwam
Zo’n dag was het deze zondag

Als ik zou overdrijven
dan was het glazuur van mijn lach
van mijn tanden gespat
van blijdschap

Gelukkig was ik wel
maar zover kwam het toch niet
Ik denk goed van mijn tandarts:
tot haar verdriet
zal ’t toch wel niet zijn
De herfstbock smaakt fijn !

Week

Voetstoots ging het niet
waar hij dat toch dacht
Van onmacht gebroken
is geheeld een groot woord
Beter te pas komt ’t te spreken
van een opgelucht gemoed
een beetje beter opgeruimd
de teugels wat gevierd
stroomt het hartebloed
al is het bitterzoet.

Bezwering

Nee, je bent niet meer
niet meer klein
niet meer aan je moeders borst
niet meer angstig alleen al
alleen al buiten het zicht van pa en ma
en al was je krijten terecht
en je tranen
al was je verlaten
al mocht je stem niet baten
al zie ik je nog als ik in de spiegel kijk
al weet ik niet wie ik ben
jou ben ik niet
al draag ik je mee
mijn hele leven mee.

Grootpa

Opa is er niet meer
allang niet, nog langer niet
en ik nader hem
Kon ik nog maar wat
delen van dit leven
samen de bus naar het havengebied
samen naar de eekhoorns in het bos
alsnog zijn hand vasthouden
voordat ie weg was
zo ver en nog verder weg was dan dat.

Dag

In gezelschap
sinds een maand of wat onder
handbereik, een hele wereld
aan smaak; jij bent er niet
noch jij, noch wie ooit mijn
aandacht had, mijn hart

Voor nu hef ik dan het glas
al ga ik vanavond weg
ook van mijzelf, juist
van mijzelf, al komt
daarmee de wereld alleen
binnensijpelen
en iedereen daarbij
om op te lossen bij het aan-
breken van weer een dag.

In zo’n bui

Heerlijk fijn veilig
onder mijn eigen paraplu
Er was eens een bui, in de tijd
dat ik nog onder die van mam
op straat de poppetjes zag op-
springen en dansen, zo
uitbundig al was hun alleen
– maar met met zovelen, met
onnoemelijk zovelen tegelijk –
een leven beschoren, een fractie
van een seconde, zo kort
zo, een leven later
leef ik alweer op nu
onder mijn eigen paraplu.

Zien

Op pad op weg door de stad
uitgekiend de verbindingswegen gemeden
langs het kanaal, langs de wijkvijver
en dan opeens een kleine groene oase
waar ik de geur van dennen weer
elke keer mag ruiken
en waar een gouden hond tegemoet
kwam kwispelen en groette met natte neus
aan mijn hand
en ik voor een moment zo goed als zen.