Het balkon is daar
en het uitzicht
aan de rand van de stad
– Groningen, het Hoornsemeer –
De zon schuift voorbij
mijn zuidkant en mijn westen
soms verborgen, vaak toch even zicht-
baar, tig fusiebommen zo ver weg
zo groots en zo lang achter elkaar ook nog
dat ik mij verheugen kan
in mijn eigenste warmterekening
waar de rillingen
mij van over de rug lopen
figuurlijk.
Biecht MMXXIV
Veel mensen heb ik niet
om me heen
Natuurlijk, net zoveel als iedereen
op deze ronde aarde
Alleen
wie me dan na staat
en ook nog voor langere tijd
dat is vers twee
Gelukkig
kan ik nog vol schieten
ontvankelijk, ongewapend
te moe om muren op trekken
[ elk nadeel heeft z’n voordeel ]
Het daget
Vandaag ging ik niet alleen
voor de zoveelste dag
sinds ik ter wereld kwam
onder de zon, maar mocht ik
me bijkans baden
in ’t licht, er tegenin kijken
op mijn terugweg
zozeer niet van hot naar her
zij het niet blindelings
maar met oog
voor passanten, boten aan de wal
voor de kalende bomen
paden vol gevallen blad
een enkele vogel die niet gevlogen was.
Over kiezen gesproken
Afgelopen vrijdagavond kraakte ik een nootje
en meer dan één
maar één van mijn kiezen
de één na achtertste rechtsbovenaan
daarvan brak een stukje af
– en slikte ik door voordat ik het
in de gaten had –
Mijn tandartspraktijk bied avonddiensten
en na bellen gisteren mocht ik er vandaag
aan geloven: een stukje boren, een stukje vullen
De tandarts van dienst was
een jonge vrouw en in mijn ogen
tijdens het gebeuren
vriendelijk, charmant al
en erna ook nog eens te meer
vielen me haar ogen op
en open gelaat
– ‘stuk’ doet haar tekort
Wanneer zou ik weer mogen?
De schemering zij geprezen
Naar buiten bleek het licht
zo tegen de schemering
– maar ik kon nog goed zien
waar ik heen ging –
onder een lichtgrijze in windstille
lucht die de paden, de bomen
en alles zo maar
deed oplichten in een zacht oranje-roze
dat zich anderzijds niet laat beschrijven
maar mijn gemoed zich aan kon laven
voordat alras het donker de overhand
nam en ik bepakt en bezakt van de dag
huiswaarts keerde
waar niets anders mij wacht
dan mijn gemak.
Zo gewonnen, zo geronnen
O, mijn god
ik heb zoveel
niet gezien, niet ervaren
een hele wereld
al keek ik mijn ogen uit
al gaf ik gehoor aan de roep
dat de wereld aan mijn voeten ligt
en zelfs al deed ik verantwoord
de wereld aan en reisde ik aldus
op mijn sterfbed, met mijn laatste
ademtochten heb ik niet meer
dan één plek en met wat naasten
zeg ik gedag
en laat de wereld
en wie al niet.
Dubbel
Het was me
een tijdje wel, terwijl
ik tegelijk ook wel weg
wilde zijn, al verheugde
mijn hart zich en kromp
ineen van nee en zette uit
van ja, door het teveel
dat tegelijk te weinig was
Muesli

Er was eens een jeugdkamp
een zomerkamp
daar in de kop van Overijssel
– of zo –
toen ik uit Uithuizen kwam
Geen idee meer hoe ik daar bij kwam
of ik daar zelf ook maar enig
verlangen naar had geopperd
al dan niet aangewakkerd
door een vriendje
– heel misschien een Jasper –
Allemaal één groot vraagteken
behalve dan dat ik daar in de bossen
in die grote tenten
het ochtendontbijt mij welgevallen liet
een kom yoghurt met geweekte muesli
voor ten minste een week
– weg gebracht met nog een Citroën Ami –
maar voor hetzelfde geld
verzin ik er nu achteraf maar bij
het enige wat genoegen doet
met terugwerkende kracht.

Nostalgie [met een steek]
Achterop op de oranje brommer
bij mama; een jaar of vijf, zes
zal ik zijn geweest, daar in Amsterdam
met ’n dikke helm, wit en zwart gebaand
– of zwart met wit –
nadat ik op de bal was gestapt
bij het voe’bal’n met de grote jongens
voorover was geklapt
en mijn net nieuwe grote voortand
doormidden brak
op een druilerige dag
op weg naar de tandarts
Zoiets moet ’t zijn geweest
vermoedelijk
maar die paar prikken verdoving
in het kraakbeen
van mijn gehemelte
daar vooral zijn dan geen woorden voor.
Nog vóór de vogels
Kwart over vier in de morgen
het was nog donker
– zo op deze breedtegraad in de zomer –
en buiten was alles stil geworden
en de wereld klein, de verte verborgen
in de mist, toen ik was ontwaakt
en de slaap wel gedag kon zeggen
Het mooiste deze dag.

