Ze was zo mooi
nadat ze was vertrokken
zo mooi
ze was voordat ik haar mocht kennen
blijft de hunkering
mooi nog huizen in mijn hart
Totdat het van lieverlee slijt?
Geef me respijt
Ik wil er niet aan denken.
Ze was zo mooi
nadat ze was vertrokken
zo mooi
ze was voordat ik haar mocht kennen
blijft de hunkering
mooi nog huizen in mijn hart
Totdat het van lieverlee slijt?
Geef me respijt
Ik wil er niet aan denken.
Als eb en vloed zo gaat en komt
het verlangen, in het hart de liefde
blijft een schone zaak te koesteren.
Soms valt het niet licht, ja zelfs zwaar
al zou je ’t voor geen goud
willen missen, dat gebaar
dat de ander van je houdt
daarmee de afstand overbrugt
houdt het de liefde in de lucht
en voor de rest: in het hart
leeft het ongedacht, ontward.
Door verlangen omgord
adem ik jou in en uit naar jou
weet ik niets beters
dan dat stille besef
luidkeels uit te dragen
dat het er zijn mag
aan liefde is al zoveel te kort.
Van de zee verstoken
stromen tranen
laten sporen na voor even
terwijl mijn hart blijft kloppen
blijft het kloppen, jou indachtig
zie ik nog jouw woorden
die ik niet onder ogen krijg
hoor ik nog jouw muziek
terwijl het stil blijft om mij heen
jouw stem, jouw stem roept mij
nog steeds, het einde niet in zicht.
Zij gooide een steen in de rivier
het water spatte op uit de rivier
die bleef stromen
de druppels terug vlogen
uit het licht in de bedding
van de rivier, een waterkolk
verstoorde de waterloop
maar ze bleef stromen, de rivier
geen druppel bleef achter
de rivier bleef stromen
en zij zwaaide nog steeds
zij hield daar nog steeds
mijn hart vast en nog steeds
terwijl de rivier blijft stromen.
Wel, ik moest huilen vandaag
en gisteren en de dag daarvoor
die ging ook al niet teloor
zonder, met een steen in mijn maag
en allengs word ik opgelucht
dat gaat natuurlijk wel gepaard
want is wel goed maar niet bedaard
met een vloek en diepe zucht
en op zijn tijd ook wat jolijt
het mag de pret niet drukken
ook al is het een soort afscheid
van wat er was, ’t ligt in stukken
komt er een nieuw begin geheid
ik weet het zeker, dat gaat lukken.
Beverig op de schommel, voorzichtig
trekken aan de koorden, wiegen
in de lucht zonder vleugels
totdat ’t allemaal op z’n plaats valt
dan spring ik er opgelucht van af
en neem de wind met met mij mee
en de zon, die scheen voor twee.
Op de schommel, een beetje heen en weer
en voel de wind strijken langs mijn hoofd
en denk aan wat wel, aan wat niet was beloofd
in beweging komt langzaam het hartzeer
tot rust, en omhoog, omlaag en weer omhoog
terwijl de zon ook om de hoek komt kijken
weet jij in mijn gedachten van geen wijken
met gesloten ogen, mijn wangen droog
word ik allengs stiller van dat heen en weer
houd ik een bloem voor ogen
ook al weet ik niet welke vrucht ze draagt
trek ik aan de koorden, ik begeer
nog steeds met mededogen
de tijd van mijn leven mijn hart belaagt.
Met mijn tranen laat
laat ik mij gaan, mijn eenzaam
hart in de wereld uit
ga tot op de bodem
waar ik hetzelfde vind
aan tranen en gedeelde smart.