Pril

Streel ik haar onverbloemde huid
Gepaard met fluisterzacht geluid
In een oogwenk haar oorschelpen rood
doorzichtig, zoek ik de warmte van haar schoot

Zijn we helemaal weg van elkaar
Komt de betovering tot een abrupt eind
Komt het leven weer vastomlijnd
Rest ons nog slechts één gebaar

De dag kruipt wederom in onze huid
Begint op bed met thee, beschuit.

 
 
 

Om arm

Nu zou ik je wel naast me willen
Maar God mag weten waar Je blijft
En ook van Zijn, Haar of Dat bestaan
ben ik Onzeker. Maar wat wel beklijft:
als ik ooit Je Hart voel,
wis en warempel wordt Het een mooie Boel.

 
 
 

In Memoriam Felix

Leeg is jouw plek op mijn buro
en boven op mijn beeldscherm en tv
Leeg de vensterbank
Struikel ik niet meer over je voor het aanrecht
Jouw plek op mijn bed blijft koud
Kaal is het voor mijn huis
waar je mijn thuiskomst wachtte
De bank lijkt te groot zo zonder jou
Leeg mijn schoot
Hoef ik nooit meer naar je te fluiten
om je te roepen uit de buurt

Was je veel groter dan je er uitzag.

 
 
 

Te licht allicht

Kleur voor mij, kleur voor jou
Over een boog van regen
we als schijngestalten zweven
hemelhoog door het hemelblauw.

Aan onze voeten flonkering
die weerspiegelt ons gemoed
onze tongen proeven zoet
samen een gesloten kring

Omvat ik je zoals je mij omvat
in oneindige dans gevat
Meer en meer, verlang ik zeer.

 
 
 

Nergens meer

Zo groen als jouw ogen
is niet het gras
Zo blond als jouw haren
de zon nog nooit zo stralend was
Zo wit je tanden bij een lach
hartverwarmd smelt ik weg, zo in mijn sas.

En als ik de warmte van je lippen streel,
ik heel mijn verleden met je deel.

 
 
 

Hartverwarmend

Sta ik in rechte lijn met de zon
Zit ik met mijn benen gestrekt
Lig ik uitgestrekt en geef ik me loom
over aan haar warmte en droom
Op afstand van haar.

 
 
 

De post

Ik drink je woorden in
Kan ik er niet in geloven
Zij het een voorzichtig begin.
Zie ik je niet in persoon
Je woorden, ik proef ze en de toon:
verdraaid, voor even weer ondersteboven.

 
 
 

Zolang ik het leven om mij heen weet

Geef mij maar bij tijd en wijle
de rust om in stilte te luisteren
Geef mij maar zo af en toe
de stilte van de ondergaande zon,
van het water, stilstaand riet

Hoor ik mijn ademtocht
het kloppen van mijn hart
en het kortstondig kwaken
van een eend, gekras van een kraai,
van een vis die kringen maakt
als die even het watervlak raakt

of van ergens in de verte
door een open raam een kind
dat nog even tegensputtert
voordat ‘ie zich gewonnen geeft
voor die dag, de nacht betreedt

Geef mij maar dat moment van stilte.