En dan ruik je ook nog naar jezelf

De holte van je voet,
de ronding van je hiel
die doorloopt vloeiend naar je kuit
en verder omhoog zich verbredend
tot je heupen die zich welven
en de knik van je taille
die een voorbode zijn
van nog meer welvingen,
je hals strekt zich,
je kin, maar nog meer je mond
om van je ogen maar niet spreken
en je haar een waterval.
Ik sta sprakeloos,
dus beperk ik mij maar tot deze woorden.

 
 
 

Vallende sterren

Waar zijn de lippen die smaken naar vanille?
Het is alweer een tijd geleden
Waar zijn de ogen die schitteren als diamant?
Het is alweer zo lang geleden
Waar is de lach die klatert als een beek?
Mijn ogen zijn allang weer droog
Welke huid is zo zacht
dat ze mijn gedachten doet verbleken?

 
 
 

Liefs

Opeens is de wind stil
Opeens hoor ik geen enkel motorgeluid
Zomaar is de drukte voorbij
en komt een stuk muziek, een stem
zingt, die ademt rust en vrede.

 
 
 

Lach me een kriek

Nu de zomertijd is aangebroken
de liefde is ontloken
Cupido’s pijl de één vreugde brengt
de ander met pijn het hart doorstoken.

Houd ik me op de achtergrond en zie
het krieken van de dag, de volle maan
die komt en gaat, de eb en vloed
Houd ik mijn voeten droog.

 
 
 

Allicht

De lente vliegt mij aan
Ternauwernood houd ik het droog
na een winter die er niet om loog
Zo gewend in de kou te staan

Verrassen mij kleur en vogelzang
en niet te versmaden korte rokken
wapperende haren, vrije lokken
fantasievolle illusies, ben ik bang

De zon schijnt en verwarmt dan wel weer
maar ben ik elders met mijn gedachten
dan schrijnt die vuurbal evenzeer

Weet ik van hen die lachten
van hen die wachten op een ommekeer
Het licht verzamelt zacht haar krachten.

 
 
 

Diploma x

Kom nu eens in mijn armen
en laat mijn hart je verwarmen
dat klopt genoeg voor twee
de rivier, zij sleurt ons mee
we overleven met geluk
keien en woeste baren
gaan we een stuk, stuk
gaan we ieder dan ons weegs
wanneer de dood ons scheidt
zonder diploma x wijd en zijd.

 
 
 

Van een sprookje gesproken

Als de liefde plots ontsteekt
het vertrouwde niet tegen de hunkering opweegt
afgronden zich openen
al het andere bij dat laaiend vuur verbleekt
moet ik toch blijven geloven
dat we kunnen vliegen door de eindeloosheid.

 
 
 

Het zij

Ongemerkt glijdt de tijd me voorbij
tot op zeker moment de klok
me in de ogen kijkt en met een schok
In gedachten verbleef ik aan jouw zij.

Hoe zal ik nog langer bij jou verpozen
te middernacht. Geen ander gekozen.

Het zij een lot uit de loterij.