IJsvrij op het strand

Langzaam komt ook het strand weer vrij
van de vorst en waar de zee bleef
aanspoelen, het zand aaneengekoekt
onbewogen bleef liggen, het stuiven
opgegeven, was het zichzelf niet meer
totdat de winter overwaaide.

 
 
 

Levend licht

Zo diep kan je niet zinken
of er wordt licht gemaakt
in het donker van de zee
van al dat leven van heel
heel lang geleden
en van de zon die eertijds scheen
en ook de aarde diep, diep
diep onder water
tot uitbarsting komt.

 
 
 

IJs en weder dienende

Drie heuse winters op rij
naast gemiddelde hoge temperatuur
verwacht ik dat ik tot sint juttemis
kan wachten
op nog zo’n elfstedentocht
en op plaatjes die doen denken
aan 17e-eeuwse ijsgezichten
en aan de kou die verbroedert
doet smelten en de schoenen
die zomaar liggen aan de kant.

 
 
 

Zonovergoten op weg

Voetstappen in het wit, ik kijk
op en om mij heen en overweldigd
sla ik het gade, hoe het landschap
ook zonder jou zich openbaart
in stilte, geluiden zonder wanklank
zeg ik dank ook deze dag
van kou en de warmte, ik mag
die koesteren van binnen.

 
 
 

Rood

Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.

 
 
 

Bij min tien

Mijn adem sloeg als ijskristallen neer
in mijn sjaal met niet meer wind tegen
dan door mijn eigen voortgang

Mijn gedachten verbleven elders
waar het warm was en zeer
aangenaam vertoeven.

 
 
 

Aanstonds

Opeens is het nog hartstikke licht
ik kort geleden nog in het pikkedonker zat
zorgen dat ik mijn verlichting niet vergat
nu het gat tussen verleden en toekomst dicht.

 
 
 

Lieve heer

Lieveheersbeestjes, lieve, mijn lieve beestjes, waar o waar
zijn jullie gebleven en hoe krijgen jullie ’t voor elkaar
om me elk jaar weer te verrassen
en te overklassen

Jullie doen nooit, zo lijkt het, zomaar iets
Van die doelgerichtheid ik graag iets biets.