Hartig

Als uitslapen je niet is gegeven
de dag langer duurt en langer
je hart pompt en je denken
op routine draait, je voeten
wel gaan, waar eerder ook
en alles tegenzit, toch zomaar
wat moois voorbij komt
waar je hart dan sneller van klopt.

 
 
 

Omarmd

In tweezaamheid geborgen
binnen de armen van elkaar
de lijfelijkheid de geest raakt
vanuit een samensmelten
is het daar waar

de zee het land kust
een regenboog het land de lucht
de regen de woestijn
een bij een bloem
een zwaluw onnavolgbaar
een boom in blad en zonder
meer geworteld in de aarde
een vulkaan uiteenspat
een berg rust in de tijd
slijt en afvlakt in een zucht.

 
 
 

Gemeengoed

Mensen nog ’n toe, verdraaid
de geest verblind, een schoon geweten
gekozen, aangeleerd te negeren
dat die ander
een hoofd heeft en een hart
een leven dat net zo goed
geboren is en het af laat weten
als het bloed over straat spat
of als in vrede de dood aanklopt.

 
 
 

Vlieg op!

Onder de zon gebukt
zet ik voet voor voet
kom ik toch vooruit
tegen wil en dank vooruit
met alle zwarte gaten vooruit
met alle beren op de weg vooruit
tegenstribbelend vooruit
wil ik toch soms vliegen.

 
 
 

Afdronk

Het land geploegd
de voren getrokken
klaar voor later tijd
tijd voor een dronk

Woorden spreken
van de winter, de open haard
van de vlammen, het knisperend hout
die het donker en de kou van later
buiten houden, op een afstand

Van een afstand woorden
aanwaaien en spreken
over de warmte van eertijds
over het licht van later

Hier nu de woorden spreken
van hoe ver zij komen
van welke hand ook
ze in het hart belanden
van de nacht.

 
 
 

Afgeschermd

Buiten zinnen les ik mijn dorst
aan de woorden en de beelden
die springen in mijn oog
druk ik het leven aan mijn borst
dat ik met muis en toetsenbord
uit het scherm weet te wringen.

 
 
 

Dageraad door de dag heen

De dag ving aan met een dageraad
in rood en roze en oranje
dat achter de wolken vandaan kroop
in het water weerkaatst
waar ik aan voorbij ging
en meenam in gedachten
toen het grijs werd en weer donker.

 
 
 

In de knoop

Opgerold en in elkaar
gedoken, koud
houd ik krampachtig
de restwarmte vast
van toen, toen
ik nog onbekommerd
– min of meer –
mij overgaf aan de zon.

 
 
 

Op straat

Die paar dozen ingepakt
op straat gezet
met enkele stoelen, een tafel
een staande lamp, een vingerplant
en zo nog wat zaken meer
De tv verkocht

Ze stonden er bij
en het was natuurlijk
hun eigen schuld.

 
 
 

Herfst 2011

De herfst is niet van de lucht
Steeds meer blad het laat zitten
er gekleurd op staat en valt
De bomen nakend
de winter tegemoet
moet ik zelf ook
van kleur verschieten.