Doorgang

Het lichaam kraakt, aangedaan
door de loop van het leven
de geest zucht, om dezelfde reden
IJzer breekt men niet met handen
en als ijs gebroken is
staat men liever op vaste grond
Wachtend ben ik nergens meer
dan een wachter, terstond
draag ik mijn hart met hartzeer
dat klopt nog aan één stuk door
‘k nog immer tot de levenden behoor.

 
 
 

Winters verlangen

Als de bloemen niet meer bloeien
het geel en wit, het incidentele rood
Als ook het groen verdord op straat
ligt en verwaait en weg
de velden nat en donker
dorst ik naar schoonheid die voorbij
gaat aan het oppervlak van de zomer
die onderhuids gaat
diep in mijn gemoed beklijft.

 
 
 

Uit en te na

Het geeft geen pas het hart
er buiten te laten, het klopt
niet voor niets, het bloedt

De bloemen springen
in het oog. Ziet:
het lichaam zich verheft
van uitgestrektheid weg

De horizon blijft
Dichterbij ben jij
en al het leven.

 
 
 

Nachtelijke woorden

In de nacht, het midden van de nacht
of daaromtrent
als men zich steeds meer alleen weet
men steeds meer tot zichzelf spreekt
men vrijuit woorden bezigt
die waar zijn in de nacht
die het daglicht niet verdragen
de dag wel dragelijk maken.

 
 
 

Arbeidsvrucht

De vruchten van het veld
gaan door vermoeide handen
onder dezelfde zon
die ze deed rijpen
meer dan mijn mond alleen
voeden ze terloops
meer dan alleen mijn voldoening
ook al is ’t per vrucht een schijntje.

 
 
 

Zaam

Woorden wel de afstand overbruggen
soms de plank zo misslaan
Woorden het hoe dan ook niet halen
bij het gegeven van elkaars warmte
het in elkaars ogen kunnen kijken
elkaar te kunnen ruiken, proeven
dat het lichaam voelt dat ’t er zijn mag.

 
 
 

Blaas een sprookje

Al vingerknippend op de maat
weet ik geen maat te houden
elke minuut komt weer te laat
de noten klinken, ze zouden

me de tijd doen vergeten
kon ik de rij glazen niet meten

maar ’t is niet de drank
die me naar ’t hoofd stijgt,
maar jouw arm in glacé, dank
jouw lachende mond zich neigt

naar mij terwijl we zwieren
buiten de tijd om de tijd
van ons leven vieren.

 
 
 

Zonder omhaal

De kleren aan gedaan
waarmee men voor de dag kan komen
verwisseld voor het nachtgoed
voor de gloed van de nacht, de dromen
achterblijven bij het kussen
waarvan nog alleen één bij ochtendgroet
de lippen beroeren, die tussen
de ochtend en de avond de mond vol hebben
de dag te overbruggen.

 
 
 

Hare evolutie

Dat haar, dat maar groeit op plekken
waar ik er niet op zit te wachten
mense, mense, apen zonder apekrachten
weet ik niets anders dan het er uit te trekken

echt, in mijn neus en aan mijn oren
wenkbrouwen mijn aanblik zeer verstoren
om van andere plaatsen niet te spreken
de evolutie, blijkt maar weer, komt met gebreken

Ik heb er echter geen halszaak van gemaakt
Die evolutie is nu eenmaal niet volmaakt.

 
 
 

Wat het moment vraagt

Taal ik ijlings te ontsnappen?
Laat ik mij liever inpakken
door de stilte van het moment
van het moment dat het geluid
van kort tevoren plots wegvalt
mij de adem beneemt
van het moment van samen
opeens alleen
het moment dat alles mogelijk?