Het is niet misselijk:
de lucht, zo’n wolk
parfum op de fiets
van een ogenschijnlijke dame
die je al van verre ruikt
en te lang in je neus blijft hangen.
Het is niet misselijk:
de lucht, zo’n wolk
parfum op de fiets
van een ogenschijnlijke dame
die je al van verre ruikt
en te lang in je neus blijft hangen.
In het gras gaat schuil
onder het boomschors
in het slik van het wad
onooglijk in de lucht
In de kieren van het leven
krioelt het waar wij op teren.
Als de dagen tevergeefs zijn
als je er na aan toe bent
toe te geven aan het mes
in de keukenla, de pillen
in het kastje van de badkamer
elke hoogte je uitnodigt
vleugellam uit vliegen te gaan
je in elk mobiel een stopteken ziet
elk levensteken je voorbij gaat
dan is het ja aan de wereld
het nee te ontkennen.
Zachte adem, nog een teer gebaar
en nog een kus en ogen
ogen die elkaar niet loslaten
ogen die beminnen, verdrinken
niet van wijken willen weten
een los gaan dat blind is
een opnieuw beginnen
van het denken weg.
Voor het midden van de nacht
in der minne geschikt
in elkaars adem ingeslapen
toereikende lijfelijke warmte
dekt een enkel laken toe
wat onverbloemd
met een kus begon
en onverbloemd
eindigde vederlicht.
Wat moet ik velen
deze dag op mij leunde
op mijn rug droeg ik ze
de uren die ik moest ik delen
zo genadeloos de tijd
liet ik het afweten bij de zon
wist ik amper van het licht
liet ik mij tot zover gaan.
Was jij hier en had ik abrikozen
zou ik je liefkozen
met het sap
partjes delen met de mond
of we zouden voor ons part
dat vruchtvlees laten staan
en overgaan tot zinnenspel
een toon hier
een lichte streek
een doordringen tot elkaar
voorbij het vlees tot aan de pit
de kern die bloot ligt
mond op mond, oog in oog
handen, voeten, benen, buik aan buik
ademloos en steunend, kreunend
een laten gaan, vrij, zo vrij
en weerloos
bij elkaar.
Het zonlicht over de horizon
de dauw nog amper van de velden
of een enkeling plukt daar al de morgen
de dag nog onbevangen door de warmte
welgevallig uitzicht voor de vroege vogels
Onder ons gezegd
kwam de zon zomaar ook bij mij terecht
al mijmerend over zo een vroege ochtend.
Dat jochie, ventje, jongetje
schoot pijlen in de hemel
steeds tot zijn bogen braken
bouwde torens hemelhoog
tot ze aan ’t wiebelen bezweken
Dat jochie reed zo hard autoped
dat zijn hart van onvervalste
vreugde van geen ophouden wist
at pannekoekentaart zo machtig
Het water loopt ‘m nog steeds in de mond.
Dat jochie kroop zo graag
in bed als de tonen van zwijmel
muziek hem in de oren klonken
geborgen, zo geborgen als de kleine
zich nimmer meer geborgen wist.
De wijn is op, ik kan er niets anders
van maken, met de wijsheid in dop
geniet ik nog even na, de nacht
is nog jong en alleen
in mijn dromen, in mijn dromen
ben ik daar waar ik moet wezen
De wijn is op en ergens mijn lief
– en ja, dat ben jij nu stante pede ook –
valt weliswaar nog meer te drinken
uit die bodemloze put
maar gedragen tot mijn genoegen
heb ik niets meer
dan een enkele kus te delen.