Hele bergen zand

De rivieren en de zee, het zand
waar ik me op vertreed,
voerden zij mee
bergen van ooit
waar ik me nu op neervlij
vallen mijn gedachten stil

De kinderen in de weer
kastelen, waterwerken bouwen
schelpenschatten zoeken aan het strand
mensen vinden er hun vertier

Zo heet van de zon
laat het de lucht erboven trillen
Ik drink het in
de besneeuwde toppen van weleer.

 
 
 

Aanwezig

Maar jij bent er nog
en je gaat door; mocht je
buigen, je verheft je
boven teneergeslagenheid, uit
het oog houd je voor ogen
wat je voor de voeten komt
heel de wereld is te groot
te klein om jou te vatten; ik
zie maar een kleinigheid
zie alleen van ver
wat je vermag
is genoeg
lief.

 
 
 

Helden zonder huisjes

Geluidloos op vochtige dagen, plots
zijn ze daar weer op de paden
waar menige splash een einde maakt
aan hun stille tocht naar meer
meer eten en meer nageslacht
tracht ik ze wel te ontwijken
soms is er geen ontkomen aan
al te naakt en weerloos
ze door het leven gaan.

 
 
 

Knus

De wolken gaan snel, de bladeren
verdwijnen met de noorderzon
de kou bijt in je wangen
als je passeert op straat

Je pakt je in en er valt
wat los te maken
zo je zin hebt
zoekt de warmte je op

Ga je je te buiten aan
een snelle adem, het kloppen
van je hart, zijn hart
je buiten adem maakt.

 
 
 

Over

Jouw lijf, jijzelf
mis ik node
Mocht je hier aanwezig zijn
ik had je bezeten
van top tot teen
Wat had ik je gegeven?
Mijzelf had ik je gegeven
Tijd die er even niet toe deed.

 
 
 

Oponthoud

De nacht vlijde allang zijn duister
over de weilanden en de stad
sterren twinkelen in de gaten
van de wolken door maanlicht
omzoomd, menigeen al de dag
te ruste legde, de enkelingen
doorgaans blijven
met elkaar en door elkaar
verlangend naar meer
naar meer dan het einde

in rumoer en uitgelatenheid verlangen zij
met nog een glas te drinken
de dag allang ten einde was
verlangen enige zin, verlangen
naar een woord
een gebaar
een aanraken zonder oponthoud.

 
 
 

Groeizaam

Voor je het weet valt weer het blad
Voor je het weet de sneeuw
dient zich weer aan die eerste lentedag
word je verliefd op de zomer

Voor je het weet is het kind weer één jaar ouder
staat de ouder één jaar dichter bij ’t afscheid
Maak je het mee, onderhevig aan de tijd
voor geen kleintje vervaard
laat je je niet kisten.

 
 
 

Zoetje

Waar geen woorden voor zijn
is het moeilijk te beginnen
Zo begin ik maar bij het refrein
misschien kom ik dan bij zinnen

Liefde voor ’t oprapen ligt
Liefde die haar werk verricht
in een lach, een simpel woord
in een eenvoudig gemeend gebaar
zo we lief zijn voor elkaar

maar wispelturig als men is en paradoxaal
overschreeuwt men haar wel met veel kabaal
Houdt men zichzelf graag in stand
de normale gang van zaken de overhand.

 
 
 

Zoef zoef

De wereld zich rondom uitstrekt
rondom een huis, mijn huis
een kamer heeft, waar ik verblijf
mijn lichaam mij omhelst en mijn hart
mijn gedachten, ben ik weg,
gedragen en de drager. 

 
 
 

Schuldig aan onschuld

Toen ik ooit ter aarde kwam
werd geboren uit moeders schoot
het leven mij  meteen verdroot
drankzucht zette mij in vuur en vlam

aan de borst gelegen zoog ik stug
slapen, drinken, huilen en soms kort
wakker en tevree, dat jaar ging vort
ging ik al te snel over de brug

waar ik uit mijn doppen keek
om de liefde te bespelen
en desnoods de boel onder zeek

met slechts mijn onschuld om te delen
ik de tijd zo toch de baas bleek
wil het daaraan wel eens schelen.