Van zichzelf

De woorden zijn niet van de lucht
zo een kortstondig leven
voordat men ze hoort
Vervliegen ze, stom
voor het trommelvlies aan

En dan nog: hun betekenis onbestendig
in de hoofden van hen die luisteren
vliegen ze alle kanten op

die woorden, niet van de lucht
niet van de mond, niet van het oor
noch van het denken zijn de woorden.

 
 
 

Saudade

Glij langzaam weg. De fadozangeres
blijft zingen, zingen en de noten
ritselend ontspringen aan de snaren
mijn oren bereiken, met gesloten ogen
ik het gevoel verlies
van links of rechts, mijn handen

hebben de warmte in hun vingers
houd ik het verlangen in mijn hart
in een moment van weemoed.

 
 
 

Trektocht

En die beesten maar trekken
of het nu gnoes zijn, of zwaluwen, of padden
wijselijk neemt hun instinct hen bij de kladden
voor voedsel, warmte, elkaar te dekken

Gaan wij mensen in een draf
over land en zee en door de lucht
lijkt het wel een grote klucht
is het echter bij de trekkers af

Maken we ons de natuur meer eigen
tot in al haar hoeken en al haar gaten
we er geen genoeg van krijgen

De aarde doet ons wel uit de doeken
als we er in de haast toe neigen
de toekomst vandaag al in te boeken.

 
 
 

Genotzucht

Bij hoog en laag houd ik vol
met mijn lippen boven water
houd ik vol en geniet ik
geniet ik met volle teugen adem
en ook als het te wensen over laat
ben ik nog wel te genieten.

 
 
 

Onvervalst

De meeuwen vliegen maar raak
langszij de boot scheren ze over
de toppen van de golven en duiken
naar wat van hun gading is
bij gebrek aan elleboogstoten
klinkt hun felle roepen:
Van mij! Van mij! Van mij!

 
 
 

Woorden, verdraaid nog an toe

Een woord een woord
en men maakt er wat van
zoals zinnen
die zinnen prikkelen
die in woede doen ontsteken
die verlangens raken
de alledaagse, die geenszins
het hart betreffen
maar het wel laten blijven kloppen
Men maakt er wat van, alstublieft.

 
 
 

Binnenstebuiten

Ieder van ons heeft toch een lichaam
gehavend, recht van lijf en leden, glad
of ontsierd door ongerechtigheden,
aangedaan door ziekte of gebrek

Er huist leven in
Dat is genoeg
om van te houden.

 
 
 

Duinzang

Laat ik je meenemen, mijn lief, in de duinen
Ik zeg je: ik laat de zon voor je schijnen
zo schijnt ze in mij, ik wist niet,
nu weet ik, wat haar warmte vermag

Laten we de paden maar vergeten
en we zelf gaan als loslopend wild
warmbloedig onze zinnen aan de stilte
overgeven: de lucht was nooit zo zuiver

Laten we te zijner tijd ons drijven
in zee en ons drogen aan de wind
met gesloten ogen ons lichaam op
de tast; hoe de wereld in ons mint.

 
 
 

Zeehonds

Die kop zeg, die kwam zomaar boven
Spreekwoordelijk nieuwsgierig keken we
elkaar aan van een meter of wat, jaloers
zoals hij onderdook in zijn element
stond ik wat harkerig in de branding
voordat ik mijn zwemkunst botvierde
me gedragen wist door deze dag aan zee.