Schelpen

Wat een skeletten in het zand, die schelpen
ontdaan van ’t weke leven. Zouden er zijn
die stierven van de ouderdom?

Zomaar wat kleuren en vormen op het strand
Zomaar haal je je huid er aan open
Hun leven is gelopen
zomaar zonder enig verstand.

 
 
 

Over

Even ben ik nergens meer
–  nou ja, dat valt te zeggen –
Zonder jou aan mijn hart
heb ik het even koud
ook al brand ik van verlangen
– juist daardoor –
of misschien ben jij het wel of jij
Ja, wie? Nee, jij, jij! Was je maar hier
En we zouden bergen verzetten
Al was het maar voor één moment.
Was je maar hier, was ik maar
bij jou en we zouden
samengaan.

 
 
 

Afgepeigerd

Vandaag heb ik de moetjes wel gehad
Mij resteert nog slechts één hoefje
Wil je nog een glaasje wijn? Schroef je
de dop er dan nog even zelf af, schat?

Of is dat nu ook te veel gevraagd,
door lood in je schoenen te zeer belaagd?
Nu, als jij dan neerploft op de bank,
ik doe de honneurs wel, voor eeuwige dank.

(met dank aan Lili)

 
 
 

In het dal

Opgetild door de golven, heen en weer gesleurd,
verloor ik vaste grond en hield ik mij drijvende,
verloor ik het zicht op het strand,
onder handbereik alleen water

Eindeloos zag ik mij al en in de greep
van mijn loodzware lijf, adem happend
boven komen voordat ik worstelend opgaf,
maar in het golfdal, ik voelde zowaar zand,
verlossende grond onder mijn voeten.

 
 
 

Vluchtig

Geen vogel trekt in vlucht voorbij
De sluierbewolking hangt hoog, grijswit
bijna zonder enige tekening, af en toe
het blauw er doorheen schemert, dat straks
zonder meer plaats maakt voor zwart
De eentonigheid van het donker straks alleen
verbroken door het koppig menselijk licht
Het ruisen van de bomen, het riet,
de nachtgeluiden van de stad, het land,
van de kleine natuur, nog steeds ziet hij niet
waarheen de vlucht van vogels leidt

Maar door het leven te kunnen vliegen:
er bleef geen vraag meer over.

 
 
 

Beschutting

Ik leun er tegen, tegen
de wind op het strand
die over de duinen
die over het land
die mijn schreeuwen meeneemt
als was het niets
die mijn ogen doet tranen
Manshoge golven aanstormen
voor mijn gezicht
Het zand dat ik opgooi
in een oogwenk verdwenen.

 
 
 

Vannacht een goedemorgen

Sluit ik zo mijn ogen, ik nog even draal
voordat ik mij laat overmannen
door de slaap waarin ik je node mis
moet ik mij met dromen tevreden stellen
Of ik ze herinner? Dat is de vraag.
Kom. We vatten de tijd, de wereld bij de kraag!

 
 
 

Onveranderlijk nat

Worstelde mij naar boven door het zand
naar boven naar de duintop
de wind blies het in mijn haar
boven zag ik beneden de zee bewegen
met nodig misbaar
zag ik de golven keer op keer
zich verheffen en stukslaan op het strand
boven op het duin
stond ik wankel in de wind
de lucht al even grijs als de zee
die alsmaar vloeibaar bleef.

 
 
 

Genieten geblazen. Ahum

De lucht is hemeltergend
Een zwaluw bokst
tegen de wind in
Geen mug te bekennen
Het beneemt mij de adem
de kringloop van de aarde
De dood spint haar garen
bij ’s levens woelige baren.

 
 
 

Binnenste buiten, een oponthoud

Zij haar mond opende
ik dekte hem af met kussen
Zij haar ogen sloot
ik fluisterde haar naam

De regen over het land stoof
Onder een boom verscholen
Mijn gedachten de vrije loop
Totdat de wolken braken

Het licht mij maande
Het land nog nat
Kon ik het velen
Zag ik het allemaal

En groette de toevallige passant,
de wereld waarin die zich bewoog.