Bij de hand

Mijn vingers grepen in elkaar
achter mijn rug had ik mijzelf in de hand
rechtop en dan weer met het hoofd
gebogen stapte ik onder de zon door
onder de wolken door onder de takken
van de bomen die naar de hemel
reiken en van geen wijken weten

Mijn vingers in jouw vingers haakten
zo mijmerde ik weg al onderweg
jouw voeten mijn weg niet raakten
ik bij je ben nu ik dit zeg.

 
 
 

Ongewis

Hoeveel was er is?
De bijen weten het niet
De schikgodinnen willen niet zeggen
of het genoeg is
de lont brandende te houden

Stuifmeel is er zat en weet je wat?
Ik laat me maar gaan op de wind.

 
 
 

Als een vis in ’t water

Of vissen slapen weet ik niet
ze zullen vast nooit snurken
Ik zie ze wel ’s op hun zij
maar dan zit er toch te weinig leven in
om voor slaap te kunnen doorgaan

Ik weet niet veel
misschien wel minder dan jij
maar vissen weten dan toch
beter hoe ze moeten zwemmen.

Ze gaan zo voorbij diploma ‘zee’

 
 
 

Hard om hart

Als ik kon: ik zou bij je zijn
als je bij mij kon zijn

In onze armen
zouden we elkaar voelen
en zouden we daarbij het leven laten
dan zouden we zijn gestorven van geluk
met een knipoog
wel te verstaan.

 
 
 

Thuis is waar je hart ligt

Onafscheidelijk zijn ik en mijn hart
ik voel mij thuis bij mijzelf, ongeacht
de verlangens waarin het zich kan verheugen,
de blijdschap waarmee het wordt opgezadeld
blijft het maar pompen of verzuipen
– het laatste is waar ik graag op wacht
nog even en even en nog langer dan dat.

 
 
 

Stuurlui

Zo’n schipper met een keeshondje langs het kanaal
schoot mij aan net toen ik een foto schoot
Daarachter school een heel verhaal
Om kort te gaan: men miste vroeger zeer de boot.

In de wijde omtrek, zo wist ie me te zeggen
waren kanalen gedempt en gegraven
Nu weet men er geen brood mee te beleggen
Hij wist het allemaal te staven

Nu niets van vroeger meer aanwezig was
Hij was er danig mee in z’n sas
te schimpen op de bureaus der planologen
Beter had men voor schippers hoofd gebogen.

 
 
 

Welja

Zomaar opeens is het stil
weg is de drukte van het verkeer
mijn hoofd ijlt na en trekt van leer
beseft zich langzaam het verschil

tussen er zijn van top tot teen
en ’t voorstellen in gedachten
hoe we om elkaar toen lachten
Daar ga ik in mijn dromen heen.

 
 
 

De tijd stemt toe

De tijd is stom
Altoos keert dat punt weerom
dat ik bij mezelf moet denken:
is het geen tijd te gaan liggen
en zo niet dan vind ik mijzelf terug
waar ik daarvoor was gebleven.

 
 
 

Inkijk bij zomeravond

Aan het water vangen de panden in de avond
het licht van de zon  op de muren en doorheen
schijnt ze en gunt een blik naar binnen
waar anders niets te zien dan schaduw
als ik aan de overkant voorbij ga.

 
 
 

Opgetogen in licht

Zag je ook die windstilte deze avond?
De zomerzon die haar licht veegt
geluidloos over alle lawaai en bebouwing
over de rietkragen, de bomen en het gewas
over klein en groot wat vliegt of kruipt of loopt
wat met elkaar in de minne of in onmin leeft
over het water en over de kale grond
Voelde je je hart bedaren?