Vermaaning

Als ik de ruimte zie
die zich stilaan rondom mij uitdijt
ik allengs meer en meer
al het rumoer in mij verneem
kies ik stil te blijven staan
daarbij en mijn oren te spitsen
wat mij daar wordt verteld
is lang geen kattenpis
of kies ik dan het hazenpad
laat ik me door het leven overvallen.

 
 
 

Laat mij de hand zijn

Er is geen woord gelogen
als woorden stromen
als waterdruppels uit een gieter
die elk flonkeren in hun eigen licht
hoe kort beschoren ook hun leven

Laat mij de hand zijn die haar leegstort.

 
 
 

Zo klaar als wat

Met al mijn zinnen op scherp
ga ik de nacht te lijf
Zij kriebelt me hier en daar
onbewust van enig gevaar
kust ze me ook nog her en der
ik alle schroom laat varen
kom ik, kom ik terug
van weg geweest
en spin ik garen.

 
 
 

Verbonden

De wolken, de lucht, de wind. De zon
brandt zich een weg naar mijn hart
Met woorden hoop ik het in te tomen
dat ik niet losraak van de aarde
onder de regen niet gebukt ga.

 
 
 

Toch andere koek

Weer een week in een waas
voorbij de dagen van weleer
wat altoos al het geval was
de schering en de inslag

Neem ik er nu mijn gemak van
nu het kwartje is gevallen
de bloemen buiten zijn gezet
over de top beschut in het dal.

Languit gevloerd onder de wolken
weet ik boven van onder
niet meer te onderscheiden
Dromen is zo kwaad nog niet.

 
 
 

Aangedreven

De jongste telg van mijn gedachten
van mijn doen en laten
is hoogst ongrijpbaar
al vervult zij sterk mijn hele wezen
en laat zich kennen
als ik mijn handen over jou laat gaan
ik over jou niet uit kan.

 
 
 

Aanschijn

Zo trekt en laat de maan
ongezien haar sporen na
voorbij de tijden
van verborgen in grotten
van weggekropen in het bos
wanneer zij bloedrood daar verscheen

men aanstonds platgetreden paden weer betreedt
men op dauwdruppels ook amper acht slaat.

 
 
 

Kwestie van smaak, die woorden

Zit ik zonder woorden, ben ik sprakeloos
dan sta ik er toch voor
en ga los, dat men stupévet
voor een vet accompli wordt gesteld
en ik er een punt achter zet

Ben ik uitgeteld, niet welgesteld
leg ik mij bij mijn lot niet neer, hoezeer
onverbiddelijk die loterij van staat ook is
ik loop mijn leven toch niet mis

En ook al zie ik nergens een einde
aan de vorm zal het niet liggen
die verandert met de dag en elk uur
terwijl de inhoud onverminderd door-
gaat, tot in het oneind’ge, is het wat zuur.

 
 
 

Te elfder ure

Vandaag schoot door mijn hoofd
hoe onvergelijkbaar zij is met de elfen
om van kobolden en gnomen niet te spreken
allemaal zijn ze niet je dat, het ware
Een sprookje maak je liever zelf.

 
 
 

Halfslaap

Mijn oogleden zwaar
van alle voorgaande uren van de dag
mijn ogen vallen nu licht toe
vlak voordat de dag op slot gaat
de zon nog even een poging doet
me te verrassen met haar licht
als ware ik niet moe.