Kruistocht

In het bos van de sprookjes
kan het ook spoken
naast al ’t liefelijke leven
van dag in dag uit

Op kousenvoeten betreed ik het mos
langs de beek en waar de stenen
liggen in een hart, en myriaden
herinneringen opgewekt zingen
desgevraagd, verstil ik in een oogwenk

Nergens was ik eerder thuis

O madelief, jij weet te bloeien
in weerwil van de koude
weet je je te onttrekken aan de grond
O madelief, aan wie, wanneer
geef ik een krans.

Uithuizense jaren

Voetballen op het nog lege veld
naast de begraafplaats daar in Uithuizen
Spelen met plastic soldaatjes bij ’t klasgenootje
dat even voor een vriendje doorging
of boompje klimmen of op doel staan
of een verdwaalde fiets bovenhands gooien
in de vijver, aangemoedigd en al
terwijl ik las bij de vleet
uit de bibliotheek
en uit de boekenkast thuis
en celloles had tot de pubertijd
Ik dook wel van de hoge
want dat broekie deed dat ook
Opa uit Amsterdam kwam er wonen
maar ik was al weg, niet meer die ik was
toen ik nog vertrouwen had, alleen vertrouwen had
al was het alleen in hem.

Onderweg verheugd

Misschien verbeeldde ik me niet de zang
die ik al voetstaps hoorde
in de ochtend op weg
en al zag ik de bron, de vogel in de boomkruin
Het was toch zeker geen merel?
Was het dan een lijster?
Vragen die verbleekten bij de tonen
Vragen waar mijn oren niet om vroegen.

Verloren

Ergens ben ik kwijt geraakt
wat ik had willen zijn wellicht
waar ik hoop had
al was het al nooit meer
dan een vergezicht in de mist
en bezag ik mijzelf ook niet zozeer.

Hartig

Altijd al op glad ijs
Aan klapschaatsen kwam ik niet toe
Wel ging ik snel van houtjes
naar lage en zelfs naar de hoge noren
Dat nam niet weg dat ik ooit op de terugweg
van Groningen-Appingedam op het Boterdiep
vermoeid met terneergeslagen blik
in het wak met eenden en dergelijke
pardoes en toen met schoolse slag
naar de overkant zwom
– bij Zuidwolde –
Of ik nu aarzelend schaats of zwem
van harte gaat ’t niet
al maakt mijn hart zo af en toe een sprong.

In gods naam [deel uitmaken]

Als het zo uitkomt
wil ik bij gelegenheid
nog wel ’s leven; alleen
voordat ik dat maar kon zeggen
was er alweer een oogwenk voorbij
in het licht van de zon bekeken
om niet te spreken van melkwegs leven

Toch worstel en lach ik bij
tijd en wijle, daar en vooral hier
op dit stukje aarde
dat ik deel.

Om niets

Nog een rondje. Nog ééntje.
En nog een rondje om.
De winter kwam, daarvoor nog de herfst
De zomer laat zich raden. De lente ook

Weldra breekt die aan:
nog één rondje om
de zon, al beginnen de dagen
te tellen. Jong was je, ben je
als de zon opkomt en weer ondergaat
als de nachten en de dagen
je overkomen en je doet er niet aan
aan nog een rondje om
als alles al rond is.

Dood tij, nimmer dood tij

Als de wolken vliegen
Als de rivier stroomt
Als de zee beukt op de kust
Als je leeft, leef je  

zoals de wolk vliegt
de rivier vliedt en vloed
en eb komen en gaan
en de korrel zand gaat
op de wind gedragen
door water gesleurd.