Te geef

Een dag vol wind laat het afweten
na zessen, maar de lucht
is zo blauw niet meer, door wolken
die zich verzamelen
onder het uitspansel, waar ik
gezeten ben met reikende gedachten.

–

 
 
 

Stijlloos

Ik schrijf onverhoedse woorden
die zich zonder dralen aandienen
opgediend op het plateau van het denken
god mag weten waar vandaan
god verhoede dat enig iemand
de vinger legt
op hun significantie.

 
 
 

Snek

Denkt aan oorlog
in de vorm patat, dat
wel. Of anders zo’n patatje joppie
daaraan bezondigde ik me nimmer

En ongeacht de keuze
een rundvleeskroket met mosterd
ja, alstublieft.

ik at al dagen achtereen
gezond.

–

 
 
 

Van de sokken geblazen

Mond gehouden, tong
verloren, zozeer van slag.
Hoe zij me toezong!

Te weinig woorden
met des te meer gebaar, haar
ogen bekoorden.

Van de weeromstuit
door het moment gegrepen
zo een zacht geluid

hoorde ik nimmer 
Dat smelten! Ik sedertdien
aan de weg timmer.

 
 
 

Tochtvlaag in rood

Heen en weer gaat het gordijn
door de openslaande deuren
geen komt binnen
niets dan de wind
de tocht beroert mijn huid
mijn ogen eerst, mijn denken
gefixeerd, mijn buik gespannen.

 
 
 

Van buiten

Verbeeld me de zon
een regenboog, donkere lucht, licht-
vlekken in de kamer op het kleed
vanachter mijn oogleden
gevloerd
de muzieknoten dansen door de stilte.