Een dag vol wind laat het afweten
na zessen, maar de lucht
is zo blauw niet meer, door wolken
die zich verzamelen
onder het uitspansel, waar ik
gezeten ben met reikende gedachten.
–
Een dag vol wind laat het afweten
na zessen, maar de lucht
is zo blauw niet meer, door wolken
die zich verzamelen
onder het uitspansel, waar ik
gezeten ben met reikende gedachten.
–
Ik schrijf onverhoedse woorden
die zich zonder dralen aandienen
opgediend op het plateau van het denken
god mag weten waar vandaan
god verhoede dat enig iemand
de vinger legt
op hun significantie.
De rust doet zich nog gelden
wakker maar nog niet opgenomen
in de maalstroom van de dag
slechts langzaam laat de nacht zijn greep.
Windstil in het donker
geen geluid wat door de wind
teweeg wordt gebracht
houd ik me muisstil
en hoor het nachtleven
aan mij voorbij gaan.
Denkt aan oorlog
in de vorm patat, dat
wel. Of anders zo’n patatje joppie
daaraan bezondigde ik me nimmer
En ongeacht de keuze
een rundvleeskroket met mosterd
ja, alstublieft.
ik at al dagen achtereen
gezond.
–
Mond gehouden, tong
verloren, zozeer van slag.
Hoe zij me toezong!
Te weinig woorden
met des te meer gebaar, haar
ogen bekoorden.
Van de weeromstuit
door het moment gegrepen
zo een zacht geluid
hoorde ik nimmer
Dat smelten! Ik sedertdien
aan de weg timmer.
Voor haar houd ik mijn mond
mijn lippen zijn te geef
mijn tong is voor haar
die de sleutel heeft
tot mijn zinnen.
Heen en weer gaat het gordijn
door de openslaande deuren
geen komt binnen
niets dan de wind
de tocht beroert mijn huid
mijn ogen eerst, mijn denken
gefixeerd, mijn buik gespannen.
Die ene boog. Ja die
die niet altijd gespannen kan
zijn. Ik ben ‘m kwijt.
Daar sta ik
met mijn handvol pijlen.
–
Verbeeld me de zon
een regenboog, donkere lucht, licht-
vlekken in de kamer op het kleed
vanachter mijn oogleden
gevloerd
de muzieknoten dansen door de stilte.