Van goud dromen
van een jacht, een zwembad
en zo meer
Liever toch van geluk
dat ik mij thuis voel in deze wereld
dat ik je de hand kan reiken
en als ik het dan even niet heb
dat we dan over en weer.
Van goud dromen
van een jacht, een zwembad
en zo meer
Liever toch van geluk
dat ik mij thuis voel in deze wereld
dat ik je de hand kan reiken
en als ik het dan even niet heb
dat we dan over en weer.
Zo droomde ik
Ik ontwaakte uit een droom, mijn lief
vroeg mij naar mijn nacht, naar mijn dromen
Zo droomde ik
Ik werd wakker, de lippen van mijn lief
mijn huid beroerde
Zo droomde ik
Ik opende mijn ogen, haar gezicht, haar lichaam
was al wat ik zag.
Het grasgroen, het groen van het riet
toch onverwacht uit het zicht verdwenen
de kale takken en de lege velden
toonden onverbloemd hun zicht
op de kale werkelijkheid, de wereld
die zonder mankeren in het oog springt.
Over de rand van middernacht
de vogels maken geen geluid
vult het verlangen de leegte op
wat het daglicht niet verdraagt
doet zich gelden, meer
donker, meer uitbundig licht
het leven buiten de oevers treedt
waar het binnen blijft overdag.
Sta ik stil
Leeg, zanderig strand
De wind, het geruis
Golven die steeds het loodje leggen
Bijna niets
Kan ik niet anders dan in overgave
mij te voegen naar dat al.
Verkreukelde lakens aan het voeteneind
op de grond, de morgenstond
brak aan met zonlicht door de gordijnen
de kamer nu leeg van leven
met nog de geuren van de afgelopen
nacht en van jouw weggaan
met de lente om je heen.
Wolkenpartijen en hele stukken blauw
Een stelletje staat te zoenen
Vogels fluiten, kwetteren, krassen, kwinkeleren
Het groen ontluikt met bloem en al
Zie ik menig been van vlotte meiden
met gebonden haren hollen door de lente.
Laat ik de onrust varen
het geluid voor wat het is
houd ik je in mijn gedachten
een bloem in zeven kleuren
dat je blijft stralen in al je pracht
je doorns, ik haal mij er aan open
zonder hartzeer, mijn bloed
voedt waar geen licht kan komen
ik omkleed je met mijn blikken
dat geen koude je deert.
De haaientanden op de weg
ze laten niet los, ze houden me op
mijn wereld staat er van op z’n kop
wijk ik naar de middenstrepen uit
dan weet ik zeker in een hartklop
sta ik nog meer op de uitkijk
naar de wereld van de dingen
ik verdwijn er allerwegen
een teller die zich verliest in kringen
opdat ik van ophouden weet
slik ik pillen bij de vleet
want met die rotzooi in mijn hoofd
is mij beterschap beloofd
Nu ben ik zo’n zwaargewicht
mijn ik, die is er pootje door gelicht.
De woorden die ik laat vallen
de woorden die ontsnappen
die opwellen, die ik bedenk
zij het uit al mijn macht
zij het buiten mij om
vertellen een verhaal van afstand
Aan jou is het weer binnen te halen
dat ik leef in je denken, in je hart.