Bekaf

Voor vandaag
klaar, maar wel
wacht mij nog
een avond om
te verpozen eer
het licht ook
het afweten laat
de stem verstomt
de zin vergeefs
naar woorden tast.

Aangeschoten maar niet wild

Licht versluierd, een bleke zon
scheen niet zozeer op mij neer
maar ook de wind hield niet over
Ik ging gezwind op strakke banden
– op mijn sportieve fiets –
en groette de joggers en de wandelaars
en wie al tegemoet kwam
Zo’n dag was het deze zondag

Als ik zou overdrijven
dan was het glazuur van mijn lach
van mijn tanden gespat
van blijdschap

Gelukkig was ik wel
maar zover kwam het toch niet
Ik denk goed van mijn tandarts:
tot haar verdriet
zal ’t toch wel niet zijn
De herfstbock smaakt fijn !

Week

Voetstoots ging het niet
waar hij dat toch dacht
Van onmacht gebroken
is geheeld een groot woord
Beter te pas komt ’t te spreken
van een opgelucht gemoed
een beetje beter opgeruimd
de teugels wat gevierd
stroomt het hartebloed
al is het bitterzoet.

Herfstwandeling vanuit huis

Windstil verdriet van vergankelijkheid
bekruipt me; aan de overkant tooien
in tegenlicht de bomen in tinten groen
van de vroege herfstzon waar zelfs een vlucht
ganzen het moment verluchtigen met gegak

Voor hetzelfde geld was ik zevenentachtig
of was de aarde al zoveel malen om z’n as
gedraaid, dacht ik nog, al ademend
alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

Ach ja

Mijn bed is leeg
Geen lijf, geen hart
Mijzelf van dag in dag uit
Overnachten is het devies
Overdag daag ik de nacht uit
in mijn verbeelding
en proeven we elkaar
meer dan
bosvruchten griekse yoghurt
ijs als koffie royale
irish whiskey
tot onbeschaamd genoegen.

Bezwering

Nee, je bent niet meer
niet meer klein
niet meer aan je moeders borst
niet meer angstig alleen al
alleen al buiten het zicht van pa en ma
en al was je krijten terecht
en je tranen
al was je verlaten
al mocht je stem niet baten
al zie ik je nog als ik in de spiegel kijk
al weet ik niet wie ik ben
jou ben ik niet
al draag ik je mee
mijn hele leven mee.

Grootpa

Opa is er niet meer
allang niet, nog langer niet
en ik nader hem
Kon ik nog maar wat
delen van dit leven
samen de bus naar het havengebied
samen naar de eekhoorns in het bos
alsnog zijn hand vasthouden
voordat ie weg was
zo ver en nog verder weg was dan dat.

Sporen

Land ligt daar, ligt klaar
voor je eerst stap
al ligt het al eeuwen betreden
vol sporen en luchtkastelen
geboren uit zilt
– je weet niet half hoezeer –
van water en stof
van de lucht, begeesterd
door ’t vuur van de zon
door dag en door nacht
klein, hoe groot je ook bent

Tel de dagen niet
niet jaren, niet de uren
Tel niet, leef
op de klop van licht en donker
Je laatste adem komt vanzelf wel
al zal je die nooit kennen

Moge je zijn
als een lach met een traan.

Qui

Dansen? Ja!
Yoga of uren lang stil? Ja!
Dit doen, of dat, op gevoel?
Of toch eerst even tellen tot tien
en op een rijtje zetten
en orde brengen in de chaos?
Bach? Of Led Zeppelin?

Ach, van alles wat
zo laat zich raden
wie ik ben
behalve geworteld in angst
met één been in het leven.

Droomwandeling

Ogenschijnlijk, onwaarschijnlijk
droog ligt het land
aan mijn voortschrijdende voeten
houd ik mijn tranen binnen
en mijn adem in
hartklop voor hartklop
Zand en steen vergezellen me op
weg naar een volgende oase
waar ik voor even mijn dorst mag
lessen voordat ik het groen weer achter
laat en ik weet wel, te laat
dat dit het land is van mijn dromen
gewrocht van eigen vlees en bloed
en hersenspinsel, getekend zicht. Wellicht
ga ik beter blind en op de tast
dat ik dan een hand kan geven
en mijn hart
dat ik jullie stemmen hoor
misschien zelfs van jouw mond proef
waar het gras dan altijd groen is.