Geen vader die ’t bezigde
en geen moeder ook
dat “’t is een bijzonder kind, en dat is ie”
Niet dat ik ook maar bij Dik in de buurt kwam
qua kattekwaad, of in die van Pietje Bel
Een magere trom, en dat ben ik
(goed luisteren om te horen)
De wereld ligt aan mijn voeten,
maar ik lig op mijn beurt
aan de voet van de wereld
Atlas is er niets bij
of anders Sisyphus
Op mijn rug zie ik slechts de hemel
al wat in de hemel wordt weerspiegeld
Vooralsnog trekken de wolken voorbij.
Nee, alleen bij hoge uitzondering
mag ik de heide en verder niet
het zandige landschap
wat alleen bij nadere bescchouwing
wat kleur heeft
wat in het hoogseizoen ervan
de grond drenkt in paarse saus
tenzij in avondlijk strijklicht van de zon
als zelfs het meest afzichtelijke gloeit
en mijn hart verwarmen mag.
De wereld staat en valt
staat en valt
bij de bevolking
waar het allemaal ook al niet overhoudt
ik niet eens mijn weg zoek
mij staande houd
een weg voltooi
waarvan ik niet weet of het de mijne is.
Waar is mijn opa
gebleven
met wie ik door de dreven
toerde aan het begin van mijn leven
tot een jaar of zeven?
Hij was mijn grootvader
mijn grote vader
die mij mocht ongeacht wat
dat was een makkelijk gegeven
maar desondanks
sindsdien verloor ik wat had kunnen zijn
wat kon uitmonden
in andere tijden samen
in misschien wel nog een ander dan hij was
misschien ook een ander dan ik nu ben
de verhuizing toen
weg
van de plaats van mijn nog jonge leven
van de hoofdstad naar de plek
in het noorden des lands
dat dorp, Uithuizen
ten tijde van “Guus kom noar huus”
(“de koei’n stoan op spring’n”)
weg van een tweede keer eerste klas
waar ik net een vriendje had
– Martin Sterel? –
zo eentje die mooi woonde in de flat
tv had en een vader met Mercedes
waarin we een keer reden
naar een zomers zwembad
de tijden dat ik nog zwierde
met de step over de brede stoep
in Buitenveldert
waar ik meerdere pijlen schoot
en steeds maar weer mijn boog brak
en met sneeuw met slee
de helling afging
– talud van een nieuwe weg? –
waar ik mijn net gewisselde tand ook
nog brak en verdoofd werd in mijn gehemelte
met nooit eerder ervaren pijn
de tijden dat ik nog achterop de oranje brommer
van mijn moeder, zwart-wit gehelmd
niet alleen ging naar de vrije kleuterschool
maar ook naar houtbewerken
– echt? echt waar? –
en naar de arts wegens oorpijn
van de zwemles, al herinner ik me
alleen de crêche nog van daarvoor
de geur van doorgekookte groente
en de smaak van ligakoek
de tijden dat mijn opa er nog was
dat ik matzes mocht
met zoveel bruine suiker als ik bliefde
en we eekhoorns voerden in het amsterdamse bos.
(met stukjes pure chocola van Verkade 😳 )
Mocht ik, ooit, heengaan
nog verder van deze wereld
dan ik nu al ben
al is die nog zo dichtbij
misschien wel altoos te dichtbij
mocht ik dan alsnog
alsnog een lied zingen
alsnog een dans opvoeren
een paar woorden nog
alsnog herinnering mee geven
laat het dan iets zijn
aan iets moois
al ben ik nergens meer
en gewetenloos.