Overvallen door de herfst

Zat ik maar veilig
achter mama’s rug
achter op de oranje brommer
Zelf in ieder geval met helm
een zwarte met dikke witte streep
– of net omgekeerd –
al was het dan in Amsterdam
begin jaren zeventig van of naar
de crèche of zwemles of de kleuterschool
of de school voor handenarbeid
 
En misschien had mama dan wel
zo’n okerbruine halflange jas, zo’n duffelse
suède, afgezet met licht imitatiebont.

 
 
 

Erbarmen

Mijn god, de zon schijnt
ten minste zo, dat hier dan
het kleinste tot leven komt
en al het andere; al
is het eten en gegeten
worden, de schepping
van hemel en hel op aard
Mijn god, daar verbleekt
u bij ten ene male.

 
 
 

Niet van steen

Van ver weg
hoor ik, zie ik
met gemis en verlangen
dan zo dichtbij
dat ik het niet houd
dan in mijn hart
dan in mijn keel en ogen
waneer dan te ver
om aan te raken, om te ruiken
om van proeven niet te spreken.

 
 
 

Herfst, achter in de middag

(vanaf het balkon)
Het meer ligt er weer bij
aan mijn voeten
Het zonnetje op mijn bolletje
laat me verkeren in de waan
dat ik nog jong ben
en misschien onschuldig bovendien
 
Met de zee vergeleken
blijven we allemaal piep.

 
 
 

Geen Dik Trom

Geen vader die ’t bezigde
en geen moeder ook
dat “’t is een bijzonder kind, en dat is ie”
Niet dat ik ook maar bij Dik in de buurt kwam
qua kattekwaad, of in die van Pietje Bel
Een magere trom, en dat ben ik
(goed luisteren om te horen)

De wereld aan mijn voeten

De wereld ligt aan mijn voeten,
maar ik lig op mijn beurt
aan de voet van de wereld
Atlas is er niets bij
of anders Sisyphus
Op mijn rug zie ik slechts de hemel
al wat in de hemel wordt weerspiegeld
Vooralsnog trekken de wolken voorbij.

Heiig

Nee, alleen bij hoge uitzondering
mag ik de heide en verder niet
het zandige landschap
wat alleen bij nadere bescchouwing
wat kleur heeft
wat in het hoogseizoen ervan
de grond drenkt in paarse saus
tenzij in avondlijk strijklicht van de zon
als zelfs het meest afzichtelijke gloeit
en mijn hart verwarmen mag.

Tot genoegen

De wereld staat en valt
staat en valt
bij de bevolking
waar het allemaal ook al niet overhoudt
ik niet eens mijn weg zoek
mij staande houd
een weg voltooi
waarvan ik niet weet of het de mijne is.

Andere tijden [kindertijd]

Waar is mijn opa
gebleven
met wie ik door de dreven
toerde aan het begin van mijn leven
tot een jaar of zeven?
Hij was mijn grootvader
mijn grote vader
die mij mocht ongeacht wat
dat was een makkelijk gegeven
maar desondanks
sindsdien verloor ik wat had kunnen zijn
wat kon uitmonden
in andere tijden samen
in misschien wel nog een ander dan hij was
misschien ook een ander dan ik nu ben

de verhuizing toen
weg
van de plaats van mijn nog jonge leven
van de hoofdstad naar de plek
in het noorden des lands
dat dorp, Uithuizen
ten tijde van “Guus kom noar huus”
(“de koei’n stoan op spring’n”)
weg van een tweede keer eerste klas
waar ik net een vriendje had
– Martin Sterel? –
zo eentje die mooi woonde in de flat
tv had en een vader met Mercedes
waarin we een keer reden
naar een zomers zwembad

de tijden dat ik nog zwierde
met de step over de brede stoep
in Buitenveldert
waar ik meerdere pijlen schoot
en steeds maar weer mijn boog brak
en met sneeuw met slee
de helling afging
– talud van een nieuwe weg? –
waar ik mijn net gewisselde tand ook
nog brak en verdoofd werd in mijn gehemelte
met nooit eerder ervaren pijn

de tijden dat ik nog achterop de oranje brommer
van mijn moeder, zwart-wit gehelmd
niet alleen ging naar de vrije kleuterschool
maar ook naar houtbewerken
– echt? echt waar? –
en naar de arts wegens oorpijn
van de zwemles, al herinner ik me
alleen de crêche nog van daarvoor
de geur van doorgekookte groente
en de smaak van ligakoek

de tijden dat mijn opa er nog was
dat ik matzes mocht
met zoveel bruine suiker als ik bliefde
en we eekhoorns voerden in het amsterdamse bos.
(met stukjes pure chocola van Verkade 😳 )

Noten op zang

Mocht ik, ooit, heengaan
nog verder van deze wereld
dan ik nu al ben
al is die nog zo dichtbij
misschien wel altoos te dichtbij
mocht ik dan alsnog
alsnog een lied zingen
alsnog een dans opvoeren
een paar woorden nog
alsnog herinnering mee geven
laat het dan iets zijn
aan iets moois
al ben ik nergens meer
en gewetenloos.