Omarmde [terust]

De woorden zijn nog geen zinnen
verschuilen zich, spelen nog verstoppertje
Ik doe zachtjes aan
Aarzelend klopt één op de deur
van mijn gedachten

Het fluistert van de tijd van onverschrokkenheid
van uit volle macht scheuren op de step
over de brede stoep
mijn ogen open voor de wereld

Het bos van de stad was nog groot
Opa met de eekhoorn op zijn schouder
Ik wist niet dat ik klein was
al wist ik me geborgen.

 

Wel, wel

Nee, nee, ik pieker niet
Alleen, als het donker is
geworden, dan kan mijn hoofd
het niet laten om willekeurig wat
me te binnen te schieten
alles wat bij daglicht dan links
blijft liggen, uiteenlopend
van krokodillen en katten en pyramiden
van de supervisor die vertrekt
en wat ik daar wel niet van vindt
van mijn pa waar ik dan twee van heb
– nurture vs nature –
van banktegoeden en de moed
– onafgemaakte associaties –
van pipo en zijn geschminkte lach
en of dát dan gelukkig maakt
van geloof en onzin en houvast
van regelmaat en reinheid: hoe
– hoe, hoe dan, in vredesnaam –
van de regenboog en de loterij
het geluk en hoe je dat
van lot naar her
en dergelijke
of zo
.

 
 
 

Tandeloos (een kerstgedachte)

sta ik met mijn mond vol tanden
als het jochie in mij vraagt
wat dan wel de zin is
– buiten deze –
van niet alleen maar dit leven
maar ook nog hemel en hel
al dan niet op deze aard

Met een beetje geluk
zo stamel ik
weet je er wat van te maken.

Mocht je nu hier zijn

O wacht, dat ben je, jij
die dit leest
en een beetje van mij
tot je neemt
Als je me niet kent
dan hoop ik maar
dat je niet mijn kop wil doen houden
– al ben ik daar wel gehecht aan, aan mijn kop –
Als je me niet kent
misschien heb je even tijd
in ons korte leven
een moment te delen wat kostbaar is
Ik houd van mijn leven
vooral als ik niet ongelukkig ben
en zelfs daarbuiten houd ik eraan vast
Zoveel schelen we denk ik niet
De smaak van een stuk ananas
De geur van vers gemaaid gras
Of van kaneel
Je lief die je aankijkt
Zo goed ken ik je niet
Ik geef je de hand
een omhelzing, wat je wilt
een kus als het je om het even is.
[En zo hier is het makkelijk gedaan]

 
 
 

Weet ik veel [jeuk]

Ik krab me op mijn hoofd
En dat terwijl ik weet
dat a) dat begrip “ik” ook maar
een begrip is dat het gemak dient
dat b) ik uit cellen besta, uit atomen en zo meer
zoveel meer dat er eigenlijk niets van overblijft
tot in de eeuwigheid en amen
[ook ‘niets’ en ‘alles’ vooronderstellen al een wereld
van dingen, terwijl er – nou ja – niets is
of toch alles
Ach, weet ik ook veel. ]
 
Los daarvan allemaal
kun je liefhebben, haten
boos zijn, onzeker
vertwijfeld, verlangen
naar bijvoorbeeld vertrouwen
steeds maar vragen om bevestiging
van zelfvertrouwen tot overschatting
En, oh, angst, laten we de angst niet vergeten
de aanjager van alle leven
en soms ook in de brouwerij.

 

Van één tot zes

Lang geleden
of kort
– het is maar hoe je het bekijkt –
of het allang voorbij is
of het wel lijden was
– of hoezeer –
1968 was het jaar
het jaar waarin ik ter wereld kwam
en de uitkomst
die laat zich raden.

Het mag bekoren

Ook mij is een leven beschoren
zolang ik me niet wegscheer
ben ik niet verloren
En al schuim ik niet de straten af
liggen mijn wilde haren al in ’t graf
mijn dagelijks doen en laten
geven me mijn natje en mijn droogje
Het is straf:
het mag bekoren.

 
 
 

Overvallen door de herfst

Zat ik maar veilig
achter mama’s rug
achter op de oranje brommer
Zelf in ieder geval met helm
een zwarte met dikke witte streep
– of net omgekeerd –
al was het dan in Amsterdam
begin jaren zeventig van of naar
de crèche of zwemles of de kleuterschool
of de school voor handenarbeid
 
En misschien had mama dan wel
zo’n okerbruine halflange jas, zo’n duffelse
suède, afgezet met licht imitatiebont.

 
 
 

Erbarmen

Mijn god, de zon schijnt
ten minste zo, dat hier dan
het kleinste tot leven komt
en al het andere; al
is het eten en gegeten
worden, de schepping
van hemel en hel op aard
Mijn god, daar verbleekt
u bij ten ene male.

 
 
 

Niet van steen

Van ver weg
hoor ik, zie ik
met gemis en verlangen
dan zo dichtbij
dat ik het niet houd
dan in mijn hart
dan in mijn keel en ogen
waneer dan te ver
om aan te raken, om te ruiken
om van proeven niet te spreken.