Overgave

Mijn woorden zijn getekend
uit een bron gekomen
die niet van smetten vrij is

Weten ze niet glad te strijken
en gebroken glinsterend in het oog
gesprongen, niet onberoerd voorbij

Welk leven ze gaan leiden
onttrekt zich aan mijn pijnlijk zicht
daar kom ik niet meer tussenbeide

al reist mijn verlangen met ze mee
donker, zwaar op het helder wit
tussen de regels, daar zit
ik vogelvrij gevangen.

 
 
 

Knop omdraaien

Deed ik eerst mijn ogen dicht
en een moment later weer open
moest ik kort door het donker lopen
zie een knop en het was weer licht

Was het ook zo makkelijk figuurlijk
zat men nooit in zak en as natuurlijk.

 
 
 

Dooie kou

Een dun laagje wit, vers
over de dagen van oude sneeuw
het zwarte ijs net afgedekt
lijkt de wereld grijs en stil
de kou de aftocht blaast
blijft het bij nul graden
waar het water is gestold

Onuitgenodigd treedt het binnen
in de kamer waar de ijsbloemen
van de ruiten zijn afgedropen
het effen licht zich
een weg baant en mijn doen
en laten doet verstarren, opgezadeld
met een verlangen naar eens zoveel
warmte als toen de kou nog heerste.

 
 
 

Inkapseling

In elkaar gedoken
van de wereld weg
alle warmte die je rest
omhels je, gesloten ogen
buitengesloten
omhels je het donker
dat de zinnen bedaart

een warm handgebaar
een vraag hoe het gaat
laat je schouders schokken
of nog dieper
wegkruipen in elkaar.

 
 
 

Overleving

Er was Nelis, er was Felix
Dolci vergezelt me nog
Dat hartzeer bij ’t verscheiden
Toch laat ik maar niet los.

Kinderen, kinderen, ouders
praat me er niet van
de schrik me om het hart slaat
kinderen te overleven.

 
 
 

Achter gelaten

Zo’n dag
dat het licht je zwaar valt
dat het zweet je uitbreekt
als je naar buiten kijkt
en je ziet al die mensen
zich begeven op glad ijs
dat het een lieve lust is
dat je liever in een boek duikt
waar de letters dansen.

 
 
 

Rood

Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.

 
 
 

Bij min tien

Mijn adem sloeg als ijskristallen neer
in mijn sjaal met niet meer wind tegen
dan door mijn eigen voortgang

Mijn gedachten verbleven elders
waar het warm was en zeer
aangenaam vertoeven.

 
 
 

Kanttekening

Een bladzijde, het duurt
me te lang, die woorden
die zich aaneenrijgen
tot een pagina vol
zwart op wit
ik weet niet
wat er van te brouwen
het zal me berouwen
ik weet het
maar wie zegt
dat kennis macht is
vergist zich deerlijk.