Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.
Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.
Mijn adem sloeg als ijskristallen neer
in mijn sjaal met niet meer wind tegen
dan door mijn eigen voortgang
Mijn gedachten verbleven elders
waar het warm was en zeer
aangenaam vertoeven.
Een bladzijde, het duurt
me te lang, die woorden
die zich aaneenrijgen
tot een pagina vol
zwart op wit
ik weet niet
wat er van te brouwen
het zal me berouwen
ik weet het
maar wie zegt
dat kennis macht is
vergist zich deerlijk.
Talloos blijven immer nog de zaken
waaraan geen woorden worden gewijd
of vuilgemaakt in zwart of wit
Het zijn de zaken van alledag
die niet vermeldenswaard zijn
waarmee iedereen te kampen heeft
–
maar er zijn meer en meer narcisten
anders dan die met een vette knipoog
zichzelf ook wel eens te kakken zetten
–
Het zijn de zaken van alledag
van leven en dood die schrijnen
waarmee iedereen te kampen heeft.
Een masker hier, een masker daar
zo komt ’t in ’t leven wel voor elkaar
Soms krijg je een glimp mee door de gaten
voor mond of ogen, of je ruikt een geur
hoor je met de oren die zijn vrij gelaten
van wat er schuilgaat achter een open deur
Aan huid en haar heeft het nooit ontbroken.
Over de baren zit ik te staren
in een roeiboot te midden van een hele vloot
zielen, stuk voor stuk, zoekend altoos naar geluk.
Opeens is het nog hartstikke licht
ik kort geleden nog in het pikkedonker zat
zorgen dat ik mijn verlichting niet vergat
nu het gat tussen verleden en toekomst dicht.
Lieveheersbeestjes, lieve, mijn lieve beestjes, waar o waar
zijn jullie gebleven en hoe krijgen jullie ’t voor elkaar
om me elk jaar weer te verrassen
en te overklassen
Jullie doen nooit, zo lijkt het, zomaar iets
Van die doelgerichtheid ik graag iets biets.
Ben even op de zandtour:
daar draaien die korreltjes me een loer.
Ze bieden me een stevig bed
waar ik me uitstrek
maar hun gekners en geknars bij mijn kadet
benemen me allengs elke trek.
De wijn vloeit weer rijkelijk
daar heb ik behoefte aan klaarblijkelijk
En als ik dan te diep in ’t wijnglas kijk
waan ik me een koning te rijk
“Maar” zegt u dan tegen mij
Maar ik zeg nuchter:
echter is het heden mij meest nabij.
(Wees niet al te schuchter.)