Verlegen staat hij in zijn hemd
Kreeg ie zonet een compliment
Kiezen tussen wegwimpelen
of een opmerking, zo gevat
dat die de mondhoeken laat rimpelen
tot een lach. Want ach: complimenten zat
Maar nooit genoeg voor dat bodemloze gat.
Verlegen staat hij in zijn hemd
Kreeg ie zonet een compliment
Kiezen tussen wegwimpelen
of een opmerking, zo gevat
dat die de mondhoeken laat rimpelen
tot een lach. Want ach: complimenten zat
Maar nooit genoeg voor dat bodemloze gat.
Geef mij maar bij tijd en wijle
de rust om in stilte te luisteren
Geef mij maar zo af en toe
de stilte van de ondergaande zon,
van het water, stilstaand riet
Hoor ik mijn ademtocht
het kloppen van mijn hart
en het kortstondig kwaken
van een eend, gekras van een kraai,
van een vis die kringen maakt
als die even het watervlak raakt
of van ergens in de verte
door een open raam een kind
dat nog even tegensputtert
voordat ‘ie zich gewonnen geeft
voor die dag, de nacht betreedt
Geef mij maar dat moment van stilte.
Als toegang tot de grootste schat
prijs ik toch het allermeest de kurk
Ben ik het nog lang niet zat:
de fles waaraan ik lurk.
Langzaam krachtig draaiend
is het kurkentrekken een ritueel,
maakt het mijn zinnen laaiend
Bijna wordt het mij te veel.
Echter blijf ik zeer wel bij de les,
ga ik zo niet op de fles.
Niet zo rad van de tong gesneden,
hoop ik op zo af en toe een denkbeeld,
dat niet eerder zo gedacht was in ’t verleden
of in andere woorden dan ooit gedeeld.
De volmaaktheid, die laat ik maar voor wat die is
Mijn volmaakte woorden slaan
wellicht voor jou de plank volkomen mis
en of ze voor mij overeind blijven staan
valt nog te bezien, ik gis.
Met de wind is niks mis,
zolang het de mijne maar niet is,
die ik al dan niet geluidloos laat waaien,
waarmee ik diverse geuren weet te zaaien,
de omstanders laat verlangen af te taaien.
Als ik niet al mijn haar verloren had
zou ik headbangen in mijn flat
op de muziek van de jaren zestig, zeventig
of van Johann Sebastian Bach toch grif,
de grondlegger wat mij betreft van rock
Zijn klaviersolo’s overstijgen de beat van elke klok.
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
Veel te vroeg ging de wekker af
en moest ik maken dat ik wegkwam
broodje, tanden doen, drinken in een draf
in voor de hand liggende kleren, nog klam
van de regen van een eeuwigheid geleden
dat eerlijk gezegd nog maar gisteren was
Leid ik mijn fiets door de wind gesneden
Alsof ik behoor tot stoer wielrennerras
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
Alsof geen tegenslag mij kan deren
Een open brug, spoorwegovergang dicht
Die gedachte zal me leren.
Wie voldoende lijdt, raakt vanzelf verlicht,
zo schiet door mij heen,
gevolgd door: schiet me maar af
Kom op glimlach, klaag niet steen en been
Een kogel, dat is ook weer zo laf
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
Zo zet ik door en kom op m’n werk zeik
en zeikenat, maar een paar minuten te laat
ril ik me warm, nog net niet als lijk te kijk,
dep ik me af met wcpapier over haar en gelaat
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
En ja hoor, de eerste klant vaart tegen me uit,
een verhit gesprek, dus ik doe ook maar een duit
in het zakje en sta op mijn strepen van de weeromstuit:
Ik bepaal hier de boel of het is mijn hulp waar u naar fluit
En zet ik u zonder moeite aan de kant
stuur ik u met een kluitje in het riet
Zet de boel voor mijn part in de brand
Ik heb het koud, het raakt me niet.
Daar kreeg ik de klant wel rustig mee,
meegaand zelfs, het was een hele ommekeer
Dus streek ik over mijn hart voor deze keer
en kreeg ik bijna, bijna spijt van lieverlee
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
Maar later, even later maar, sprak de baas me aan
Wie ik wel dacht te zijn om zo uit te varen?
Wilde ik me in het kamp der werklozen scharen?
De laatste keer. Anders zoek je maar een andere baan.
Ja meneer. Nee meneer. Het zal niet meer gebeuren
Loop ik met mijn goede wil te leuren
Maar raak het aan de straatstenen niet kwijt
Ben ik het nu die zich verbijt.
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
Ondertussen droog ga ik over op de autopiloot
Toon me volgens script respectvol
Laat de klant maar denken, wat een drol
Zo houd ik vol en houd me groot.
Vanachter glas zie ik nu ook de zon
doorbreken en wie had dat gedacht
dat die collega me toelacht
En schiet ik haast door ’t plafond.
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
Opgelucht haal ik adem om vijf
De werkdag zit er op
Al met al heeft het niet veel om ’t lijf
Het kan me gestolen worden, die job
Kom ik halverwege en besef dan:
De dag is pas halverwege
De rest komt vast met zege
Een stuk glas doet mijn broos geluk in de ban.
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
De lucht loopt weg uit de band
en het is nu lopen geblazen
Goed voor de conditie denkt ’t verstand
Straks een paar lekkere glazen
koel en verfrissend bier uit de koelkast
Vind ik mijn weg naar huis
– Nee, nee, het leven is echt geen last –
En daar zak ik weg achter de buis.
Bord op schoot en bier in de hand
is er niets te klagen in dit land
Mag het niet lukken de scherven op te vegen
dan kan men mij altijd nog verplegen.
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.
Een kruiwagen vol geluk
en daar moet ik het mee doen
Voor een rijbewijs had ik nooit de poen
Til ik zelf, rijd ik zelf, mijn dag kan niet stuk.
Wat zal ik vandaag ten grave dragen?
Verliefd op deze woorden
die me met hun gedragenheid bekoorden
had ik niets om te klagen.
Een auto die me sneed
op de fiets: een ongeluk dat ik vermeed
Een klant die zijn frustratie botvierde:
goedgemutst hoorde ik hoe die tierde.
Zou ik mijn geluk in de weg laten zitten
door op mijn beurt te gaan vitten
op al wat me van buiten tegenzit?
Liever rijd ik mijn eigen geluksrit.
Het lage wolkendek
vertoont een open plek
laaghangend blauwgrijs in de avond
een gat een tintje lichter
laag-bij-de-gronds ben ik dichter
reik ik naar de verte terstond.
Amechtig hijgend zijg ik neer
weg van het al te druk verkeer
van sociale interactie en verplichting
de werkdruk en drukte van de straat
vind ik aan de waterkant verlichting
neem ik de gelegenheid te baat
te bewonderen heel het natuurlijk uitzicht
dat zich voor mijn ogen afspeelt
wuivend riet, een vogel vliegt, een vrouw allicht
mist ook niet, een genoegen onverdeeld
Aah, dit is de rust die ik begeer.