Een ambulance nadert met sirene
Binnen ligt een mens
Toonbeeld van eindigheid
Ben ik even nergens
Wat maakt dat toch een leven.
Een ambulance nadert met sirene
Binnen ligt een mens
Toonbeeld van eindigheid
Ben ik even nergens
Wat maakt dat toch een leven.
Waarom zou je zeggen
dat je denkt aan hem, aan haar
als je ’t ook kon maken
dat ene kleine gebaar
zij het in woorden
zij het met een blik
of een aanraking die meer zegt
dan die woorden die ook wel gemeend
maar luidkeels spreken van machteloosheid
om te zeggen
dat je niet veel anders bent.
Wat mooi is,
om je aan vast te klampen
om je te laten optillen
om op wolken gedragen
door je tranen heen te lachen
en je eigen vaste grond te scheppen
waar we samen kunnen dansen.
Het zand stuift en trekt
zich nergens wat van aan
het kruipt
overal tussen je kleren
in je koffie en het brood
elke hap knerst
doet een aanslag op het glazuur
van je tanden en kiezen
maar godverdomme wat een leven.
Helemaal alleen
in huis, op een eiland
Zo zijn wij ook
uiteindelijk, op ’t laatst
als het verstand het af laat weten
moge het dan zijn
met een gevoel van vertrouwen
met een gevoel van aanvaarden
dat het niet goed is misschien
maar ook niet verkeerd.
Ook jij bleek al niet eindeloos
en welk lijden, jij leefde meer
Laten wij daarom één nog
op het leven drinken
bij 26 graden en een strak blauwe lucht
Dat had jij vast graag gemogen.
–
I.M. Bert Bekkers, Schiermonnikoog
De nacht draait, het donker
valt zwaar, ik weet niet
hoe ver de sterren staan
hoe ver de zon die uit het zicht
is verdwenen op dit uur
van de waarheid wordt
geen spaan heel gelaten
van de droom, de boom
vindt in de grond zijn houvast
het water waar hij naar dorst.
Het licht valt wel binnen
en de warmte van de zon
omringt mijn hart, blijf ik
er buiten, van binnen
maar van binnen
de muren ondergraven
aanhoudend verlangen
van geen ophouden weet.
Het licht strijkt, waar de wind
haar sporen naliet, geknakte
takken en afgebroken takken
een mussenfamilie laat zich horen
een reiger vliegt op bij mijn nadering
ik hoef niet verder
onderbroken is mijn zoeken
dit begin van de middag.
En ik dwaal maar door dit leven
dat mij schijnt toe te behoren
Ben ik begaan
maar weet me geen raad
met hoe het hier aan toegaat
de tegenslagen
voel ik me verloren
waar is het houvast
waar ben jij
ook al is ook jouw warmte
een illusie
weet ik niet, helemaal niet
niets zeker over een toekomstig
tijdloos verschiet
Mijn hart klopt hier en nu.