Wordt alles dan toch toegedekt
het geluid gedempt in sneeuw
het zicht een oogverblindend wit
waar de sporen zich aftekenen
van de stappen die we zetten
twee warmtezoekers in de kou.

Foto's en andere waar
Wordt alles dan toch toegedekt
het geluid gedempt in sneeuw
het zicht een oogverblindend wit
waar de sporen zich aftekenen
van de stappen die we zetten
twee warmtezoekers in de kou.
Opeens zie ik in een waterplas
een hele wereld aan licht
opduiken op ’t grijze voetpad
vervolmaakt van dichtbij ’t beeld
van de ondergaande zon in de verte
Ik laat er een kiezel in vallen
terwijl de kringen naijlen
ga ik door.
Waarom zoveel woorden
als bloemen zonder kunnen
als bomen tot wasdom komen
als vogels hun vleugels uitslaan
zonder
Ik adem dezelfde lucht
en leef wel zonder meer
misschien wel des te meer
als ik niet meer spreek
als het voldoende is
aan te pakken
stappen te zetten
je aan te kijken
alleen maar dan die letters
alleen maar dan die klanken
als woorden meer zijn
dan slechts zinnen
en het daadwerkelijk zinvol is.
Het doet zeer, ook al ben je
nog zo dichtbij in gedachten
Het doet zeer, die afstand
dat we niet lijfelijk de warmte
voelen, niet elkaar proeven
in de ogen kijken
en het zweten
des aanschijns ontberen
Zo zeer
als die droom schuurt
langs de rand van de horizon.
In het water flonkert
het licht waar ik niet recht
kan inkijken
Twee zwanen met hun jongen
zetten het nog ’s luister bij
Aan de kant, stilzwijgend
ben ik niet meer
dan een speelbal.
Wil ik je kussen, maar ik laat je nog even
liggen in bed waar je dichtbij ver weg
met gesloten ogen en een adem
die spreekt van rust
je lichaam stil en warm
nog even voordat ook de dag
het dek bij jou afhaalt en je bloot
stelt aan wat in het zicht.
In de vochtigheid van ons verlangen
verzink ik in jouw schoot, kom ik
boven, jij boven
bewegen we in een golf
en gaan we samen onder
onze monden, ons midden
onze ogen, onze handen
armen, benen
bij elkaar
stellen we de ontknoping uit
totdat wij in elkaar verloren
en nergens meer zijn.
In deze nacht schrijf ik de woorden
die ik liever ongezegd liet
In deze nacht maak ik de zinnen
die ik liever nooit begon
Was jij dichtbij, kon ik jouw adem horen
Was jij dichtbij, kon ik je strelen
de haartjes op je arm
de welving rond je mond
kon ik je zacht kussen
zo ik je nog niet eerder vond
je haren op mijn borst
een buigen naar elkaar
lichamen die vrijen
en waar woorden spreken
van mijn lief
kom ik liever bij je binnen.
Van de zee, het zand, de golven
kan er niets meer aan jou tippen
al het licht dat schijnt op jou
en als de warmte van jouw lippen
mij kust dan smelt ik meer weg
dan door de streling van eendere zon
als jouw ogen op mij vallen
heb ik nergens anders oog meer voor
zoals jouw zwijgen mij beroert
elk onweer maakt zich uit de voeten
jouw voeten zelf, als zij me naderen
weet ik niet anders dan ze te willen
strelen, kussen, zo langzaam
van beneden af aan
naar boven.
Het is alweer verraderlijk vroeg, dan wel laat
of is het niet de tijd, maar de wijn
die met volle teugen genoten een gat slaat
in de morgen? Ben ik al doende fijn te zijn
Is het de alcohol die daar spreekt
of ben ik het zelf die daar achter steekt?
Op dit eigenste moment mag het niet deren
hoezeer het straks ook mag verkeren.
In de wolken, dat heb ik nooit gesnopen
Het is toch mistig er doorheen te lopen
en bovendien nog onbetamelijk nat
wat in de mist weliswaar niet,
maar anders ook wel vreugde biedt
zoals ’t genoegen van een bad.