Van ver over de wereld
scheren langs elkaar heen
de toppen van de golven elkaar kussen
voordat ze in ondiepten verzanden
en rust vinden in elkaar
waar het licht schittert op hun vlak.

Foto's en andere waar
Van ver over de wereld
scheren langs elkaar heen
de toppen van de golven elkaar kussen
voordat ze in ondiepten verzanden
en rust vinden in elkaar
waar het licht schittert op hun vlak.
Met een oprisping van het gemoed
komen de woorden in een stoet
Ach nee, ik maar een grapje
maak en houd u voor het lapje
terwijl ik getooid met blinddoek
tastend mijn weg naar haar zoek.
In de wereld van de wereld
het houvast verloren
Gooi een anker uit
Mijn hart biedt vaste bodem
Zie ik je graag vliegen
maar toch niet vluchten
Zie ik je graag dansen
maar niet struikelen
Zie ik je graag opgetogen
maar niet in ademnood
Hou je vast aan de lijn
Ik laat ‘m vieren
maar nooit los
en pas als je bent uitgevlogen
ben je met de wereld klaar.
De bomen staan al zwart
tegen loodgrijze lucht, de maan
is in geen velden of wegen
heb ik niet meer het hart
en ga ik me alleen binnen
nog te buiten
aan het verlangen van de bard
al wat schoon is te minnen.
Waar de zee niet komt
daar wassen tranen
het leed weg van de dag
totdat het je leeg achterlaat
kan het niet anders
dan een volgende stap
wordt gezet
licht van jezelf
of met een duw in de rug.
Er wordt gewuifd
Alle halmen in de wind
gedag zeggen
Maak ik een knieval in het gras
voor de jongen die ik was
is het tijd het bij te leggen.
De tijd is niet veraf, zo dicht
op de huid zit die kleine schavuit
bijt ie je net als je ‘m was vergeten
komt ie als een klap in het gezicht
De oplossing echter is simpel
wikkel ‘m zacht in vlag en wimpel
houd je de tijd te vriend, verkoos je
‘m te te stoppen bij je hart in een doosje.
Leeg liggen de velden er donker bij
in de winter als de oogst al bijna
is vergeten, teneergeslagen lig ook jij
waarbij eens de zon zelf nog bleek afstak
De kou die zich doet gelden, de warmte
alleen bij vlagen, de tijd kruipt
en kruipt en kruipt en kruipt, gaat door
ze je plotseling overvalt
de muren en de banden die beknelden
verkruimelen onder het gewicht van een nieuwe zon.
Onder luchten van velerlei aard
beet ik de kou de spits af
deed de hitte bijten in ’t stof, in draf
met vlinders in de buik geschaard
De honden lustten daarvan geen brood:
bezweek ik alsnog in hoogste nood
genadig aan de liefdesdood.
Speldeprikken op mijn lippen
de hagel kwam van heel hoog
dacht aan jou, van ook zo ver,
dat ik liever jouw tanden voelde
en het proeven van jouw tong
hield ik mijn hoofd gebogen
was bepaald onveilig in ’t verkeer.