Een roos

Een roos is alleen maar
zo teer zo vol
kleur op een steel
een hart van goud
en om te laten staan
en als men haar plukt
toch
dan past men op
is men een wereld aan liefde verschuldigd.

 
 
 

Kortweg verlangen

Dit is mijn verlangen
dat ik deel met jou
Niet alleen te zijn
dat lijf aan lijf
versmelten dat doorsijpelt
tot in het diepste
dat zich onttrekt aan woorden
in vastklampen en zuchten.

 
 
 

Gegroefd

De zon schijnt gelijk op hen
die in vreugde dansen
of dansen in pijn
of die teneergeslagen
niet meer kunnen
dan de tijd te beiden

Het is de zon om het even
of je je uitstrekt in haar licht
in haar warmte, je gezicht
mag stralen van leven.

 
 
 

Onstuimig

Werelden apart
zo verschillend, ook gelijk
langs elkaar heen
de toppen van de golven elkaar kussen

in de branding, met de voeten in de branding
Het schuim op het strand verwaait
In de branding hun stemgeluid verloren gaat
In de branding ze elkaar ontmoeten.

 
 
 

Om

Die wind zeg, die was reusachtig
Ging ik daar daadkrachtig

tussen de populieren door
was ik bijna even groot
met het geluk in mijn schoot
onder de boomgrens gaf ik gehoor

aan de roep van thuis
zag ik nog wel een steenbok
in de lucht, of het was ruis
dat klonk als een klok

in m’n oren, een zebra kruiste mijn pad
zwart-wit, zijn tijd voor die dag er op zat.

 
 
 

Lek

Zo’n gat is niets gedaan
Het laat je maar verschrompeld achter
Lek, niet lekker, zoek je ergens
houvast en je op te laden
op te blazen tot zo licht
je weer even kunt dansen.

 
 
 

Bij je

Kom je thuis
in een huis zonder
iemand?
Ben je heel alleen
en moet je alleen
het licht aandoen
in de gang, in de kamer?
Alleen je iets te drinken
inschenken en bijkomen?
Alleen vergezeld
van het kloppen
van je eigen hart?

Er meer zijn
in gedachten.

 
 
 

En passant

Een vluchtige ontmoeting
was echt waar:
elkaar in de ogen zien
een kortstondige omhelzing
dat moment
hoe vluchtig ook
even alleen oprecht
oog voor elkaar.

 
 
 

Op de bodem

Hij draagt de zee in zich
die kolkt
sporen achter laat in zijn gezicht
zijn armen leeg blijven
zijn hoofd onberoerd
zijn geluid ongehoord
drijft op eigen kracht, blijft
zijn dorst ongelest.

 
 
 

Roerloos

De bodem droog valt
het waterleven naar adem hapt
terend op het laatste nat
in de verte de golven wachten
schoon te spoelen al wat kwam gelegen

wacht ik aan het strand
tot ik weer opgelucht kan ademhalen.