Stilaan

Laat de stilte langzaam aangroeien
één voor één die dingen doen
die een einde maken aan het dagelijks leven:
de verwarming laag
het licht en de muziek uit
het beeld op zwart

laat de nacht
maar komen als mijn gedachten afdwalen
zoals het pluis van paardenbloemen
alle kanten op waait
en weet ik niet waar een plek vinden
ontkiemen in een droom
voor één nacht.

 
 
 

Naar adem happend

Mochten mijn vingertoppen
de jouwe raken
en vandaar vanzelf verder gaan

mochten mijn lippen
zo heel licht
die van jou beroeren

mocht ik in jouw blik
verdrinken

ik nooit eerder
mij zo levend wist.

 
 
 

Minnen in de plus

In de plus wil ik noteren
dat ik immer nog kan begeren
al het schone dat mij raakt
de wereld wat dat betreft niet verzaakt

Anderzijds, die wereld is wel wat leeg
ook al vloeit de wijn al rijkelijk lang
ik daarmee de liefde niet vervang
Kan ik minnen tot ik een ons weeg.

 
 
 

’s lands hart

In het hart van het land
is mijn hart gelegen
Aan zijn kust
mijn verlangen aanspoelt
Op de berg
kijk ik uit naar mijn lief
Met het water
van de beken en de rivier
stroomt mijn liefde naar je uit.

 
 
 

Koeienvlucht

De mist zo laag bij de grond
de koeien zweven in mijn blikveld
bewaar ik afstand en houd mijn mond
voordat zo’n kop me de huid vol scheldt

wellicht dat ik zelf ook wel in hun ogen vlieg
als ik op wielen voorbij kom sjezen
maar bij hen valt altijd al wel te lezen
die blik van verwondering, alsof ik lieg

als ik zeg: het doet geen zeer
het is alleen maar je melk die ik begeer.

 
 
 

Namiddag mist

De mist zet op en de kou kwakkelt
de levende have met hun hebben en houwen
zich spoedt op weg naar huis
de dag zit op de wip, de avond
allengs aan gewicht wint, de nacht
houdt zich schuil om de hoek
de morgen nog een blokje om is

Ben jij daar, lezer, nu alleen
ben ik toch een beetje dichterbij
dan als deze zinnen verloren gingen
aan de leegte, het dan iets leger scheen.

 
 
 

Smeltend

De kou went wel, maar liever
zou ik wennen aan de warmte
en de vonken over en weer
tussen onze lichamen
ogen en woorden
in de greep van verlangen
mijn liefste

Een chocolaatje
is ook maar je dat.

 
 
 

In woorden ingebed

Zij niet in mijn nabijheid is
mij haar kussen ontbreken
haar aanraking, het strelen
wederzijds en het vast omklemmen

mijn oog zich niet verliest
in de aanblik van de ronding
van haar mond, haar schouder
het kuiltje in haar hals, de welving
van haar dijen en hoe ik niet
haar borsten lik en zachtjes bijt

hoe zij mij grijpt en knijpt
en hoe we niet bij zinnen
van geen ophouden weten
en we niet meer weten
waar onze lichamen
eindigen, beginnen
lippen elkaar raken
tongen warm in de holten
elkaar proeven

elke oneffenheid koesteren
het zweet, het vocht
de lijfelijkheid die voert
ten top, het samenkomen

hoe dat niet, van dat verlangen
ja, daarvan
men geen chocola kan maken.