Overbrugging

Een beeld mag mooi zijn
Een geur heerlijk ruiken
Verheffend de muziek
Maar schoon is ook zeker
als men verstaat
wat men onbesproken laat
als de zin achter het schrift
in het hart wordt gegrift.

 
 
 

Thuis

De kou deert niet, de mist incluis
Flarden vliegen mij om de oren
Mijn wielen zich doorgaand boren 
Weet ik een welkom thuis

zonder weerga in het veschiet
mis ik alleen het alleen zijn niet.

 
 
 

Ach, mijn hemeltje

Mijn hart is vol, mijn hoofd loopt over
van gedachten, woorden, die meer
en meer een werkelijkheid scheppen
een droom die los raakt van de wereld
een vlucht neemt
waar jij en ik achter blijven
aan de uiteinden van een regenboog.

 
 
 

Geborgen

Het licht niet wacht
ook al keren we in de nacht
het de rug toe, met overgave
we het zoeken bij elkaar
en soms, soms het langs komt
in een droom, tot de morgen
ons weer verlichten mag
met een kus, een handgebaar.

 
 
 

Aangeschoten wild

De put kan mij gestolen worden
hoogstens in bezonken stemming
Voorbij aan opgelegde remming
ga ik beschonken over horden

Ook al mis ik dan een rijbewijs
ik daarboven uit verrijs.

 
 
 

Uitgestrekt (II)

Viel als een blok, het restant
van een eens zo jonge loot
word ik opgenomen in je schoot
heel en al bij zinnen, ’t verstand

voorbij, stijg ik uit boven mijzelf
houd me vast, maak ik je vast
even licht, ik het onderspit delf.

 
 
 

Uitgestrekt

Viel als een blok, het restant
van een eens zo jonge loot
neem me in je schoot en kus me
tot in de hemel in een instant
stijg ik boven mijzelf uit, houd me
vast en ik maak je vast even licht.

 
 
 

Nachtzin

Het laat zich niet dwingen, dat wel
te rusten, de wensen die niet te tellen
zo vaak onze dromen vergezellen
zo veel meer niet dan een varensgezel

jong, oud, arm of rijk, hongerend, dorstig
naar het licht, sluiten we onze ogen
waar we ook de dag op mochten bogen
mogen we het leven graag rondborstig.