Het water uit de wolken
danst op de vijver
spingt en masse op
voor één moment
voor ’t grote samengaan
aan de kant
ga ik er in mee
naar de vissen op de bodem.

Foto's en andere waar
Het water uit de wolken
danst op de vijver
spingt en masse op
voor één moment
voor ’t grote samengaan
aan de kant
ga ik er in mee
naar de vissen op de bodem.
Aan de rand van de zomer
kleuren de bladeren
en vallen ze bij bosjes
enig groen nog z’n licht
laat schijnen, als laatste
wuift het gepluimde riet
mij uit naar de winter.
De beer die in diepe winterslaap verzonken
met het verzameld vet onder de huid
van de opgedane zomerbuit
zijn hart blijft
bonken
zijn adem
amper waarneembaar
terwijl de kou het leven stijft
ineengedoken waar de warmte beklijft
tot klauwen grijpen in de zacht grond van ’t voorjaar.
Ze geeft zich ongenadig over
strekt zich onbekommerd uit
het interesseert haar geen ene fluit
hoe ze de wereld verlicht in tover
Als het regent, als het stort
ze maakt ervan een warm bad
en als ik de schoonheid eens vergat
één blik en al ’t geluk lacht op mijn bord
mij toe, dat het lachen mij niet vergaat
verlevendigt ze alles in het kwadraat
de minnen luchthartig met plussen verslaat.
Als de beer in winterslaap gaat
met al het vet op zijn botten
laat ie de winter gelaten
over zich heen gaan
zijn hart klopt
gestaag
zijn ademen
amper waarneembaar
trekt hij zich terug alleen
waar geen ander dier hem stoort
tot klauwen grijpen in ontdooide grond.
Rondde het midden van de nacht
in halfslaap, ik baande mij een weg
met uitgestrekte armen en ging
af op de geur en op de zinnen
die spraken tot mij in mijn dromen
naar de andere kant van de wereld
naar de keerzijde van mijn wereld
Vond je daar. Was je daar?
Ergens in het wild
loopt mijn andere ik
Soms ontmoet ik die
voor een korte duur
en wisselen we van rol.
Was ik een wolk
had ik altijd wind mee
Was ik een pluisje
werd ik door de wind gedragen
en als vlieger ging ik altijd op
Laag bij de grond
laat ik me door verbeelding schragen.
Nog niet eerder vond ik het groen zo mooi
als op die dag dat zon van zich deed spreken
alsof het zomer was, de eerste herfsttinten
zich aandienden en onverstoorbaar de bomen
de eerste bladeren dwarrelden in de hitte
een windvlaag voerde nog de geur mee
het parfum van de zomer, ze bij zich droeg
die ik terloops in de ogen keek
om de winter door te komen.
Woorden vallen één voor één, meteen
als ik je zie, je handen onder handbereik
wil ik wel stroomafwaarts gaan, ons
drijven laten op een ademtocht,
verkoeling vinden in het water
warmte vinden bij elkaar
komt de zee, dan komt die later
er is geen denken aan
enig moment te laten varen
zonder dat lippen elkaar beroeren
zonder onze lijven elkaar vinden
in een wederzijds gebaar.