Weeskind

In de hof van Eden staat een kind
Het er geen mens meer vindt
De resten liggen neer in stof
Dwaalt door ’t industriĆ«le kerkhof

Waar geen kerk te vinden valt
god noch gebod roept halt
kabbelt de tijd rustig door
ook al vindt die nergens gehoor.

In de hof van Eden staat een kind
Het verdwijnt gezwind.

 
 
 

Ooft

De gouden bergen die worden beloofd
Door de schittering raak ik verdoofd
Maar God zij geloofd
Het blijkt een waterhoofd

Wie dat heeft bekokstoofd
moge die van zinnen worden beroofd.

 
 
 

Op een mooie winterdag

Ik weet het goed gemaakt
Alles komt zo op zijn tijd
De sneeuw en de sneeuwklokjes
De laatste wintergast weer naar het noorden
De krokussen en de narcissen komen heus
nog wel weer dit jaar
Komen zacht aan in felle kleuren
Houd ik het voorlopig nog even hier bij
En pluk de dag
Laat de bloemen voor wat ze zijn.

 
 
 

Wijnplaats

De wijn vloeit weer rijkelijk
daar heb ik behoefte aan klaarblijkelijk
En als ik dan te diep in ’t wijnglas kijk
waan ik me een koning te rijk

“Maar” zegt u dan tegen mij
Maar ik zeg nuchter:
echter is het heden mij meest nabij.
(Wees niet al te schuchter.)

 
 
 

Vlieg naar de maan

Vlieg naar de maan, zacht
verdwijnt de dag uit het zicht
geef mij zomaar over aan de nacht
aan wat er in mijn dromen voor mij ligt

te wachten, waar gedachten tot niets vergaan
Wellicht moet ik er vannacht wel aan
geloven, maar dat geloof ik nu nog niet
Zo ja, men dat alleen in deze wereld ziet.

Vooralsnog ga ik er maar stil van uit
U, lezer, ik, schrijver, zitten in dezelfde schuit.

 
 
 

Blauw aangelopen

Ziet u die belastingenvelop
smoort uw eerste reactie in de dop

Mooier kunnen we het niet maken
daar ga je niet om staken
Het gemak, dat houdt ook een keertje op
Belasting immers is niet voor nop

En wat, is de vraag, komt er tot stand
zonder tranen, zonder bloed en zweet
Wie dat denkt, valt door de mand
en blijft steken in belastingleed.

Verheugt u zich in deze boodschap:
u wordt lichter in een klap
en allemaal in dezelfde schuit,
verdelen sommigen de buit.

 
 
 

Over rozen

Als ik geld had kocht ik rozen bij de vleet
dan strooide ik die voor mij uit op straat
dan het er helemaal niet meer toe deed
dat het leven niet over rozen gaat.