Verwend

Allengs wordt van alles en nog wat
maar steeds gemakkelijker tot ons gemak
staan we nog steeds op een hellend vlak
ondertussen vinden we ’t je van dat

dat onze behoeften stante pede,
waar we ook maar naar talen,
kunnen worden bevredigd zonder dralen
Geluk is geen geluk, maar een kwestie van de rede.

En te meer we op onze wenken worden bediend
Bij tegenslag vallen we in een dieper gat
Blazen we hoog van de toren heel gevat
Ook al zijn we nog zo ver- of bijziend.

 
 
 

Te licht allicht

Kleur voor mij, kleur voor jou
Over een boog van regen
we als schijngestalten zweven
hemelhoog door het hemelblauw.

Aan onze voeten flonkering
die weerspiegelt ons gemoed
onze tongen proeven zoet
samen een gesloten kring

Omvat ik je zoals je mij omvat
in oneindige dans gevat
Meer en meer, verlang ik zeer.

 
 
 

Jaren weg

Geen baby meer, maar toch
in aantal jaren gelijk het aantal vingers
van twee handen, een mengeling
van uitdagend, sexy, stoer en slim,
nog steeds zo een kwetsbaar ding

en jaren, jaren later wat dat betreft
zien we geen verandering.

 
 
 

In principe gelijk

Verschillende keren heb ik gebeld
U bent de zoveelste welgeteld
U wenst mij straks een goedendag
Weet, uw protocol is mij een hard gelag

Persoonlijk kunt u er niets aan doen
Uit hoofde van de regels, daar wringt de schoen
In de drang naar gelijke monniken, gelijke kappen
Zet u schrijnende gevallen op de schappen

Nee, goedertierendheid komt niet meer voor
in het woordenboek van het systeem, ging teloor
waar massaliteit kleinschaligheid verving
bij steeds voortschrijdende automatisering.

En die, die gaat nog lang niet diep,
niet meer dan enkele tientallen jaren oud
laat de samenleving zich verleiden welbeschouwd
door de talloze mogelijkheden in princip’

Zo komt het dat ik nu in de kou sta
en dat kunt u letterlijk zo vatten
Van uw toezeggingen kon ik mij bezatten
Het is me een raadsel waar ik nu heen ga.

 
 
 

Nergens meer

Zo groen als jouw ogen
is niet het gras
Zo blond als jouw haren
de zon nog nooit zo stralend was
Zo wit je tanden bij een lach
hartverwarmd smelt ik weg, zo in mijn sas.

En als ik de warmte van je lippen streel,
ik heel mijn verleden met je deel.

 
 
 

Zon op, zon onder

Talloos zijn de zonsondergangen
alleen al aan dat ene strand
Ben ik nu op het punt beland
dat ik verzand in eindeloos verlangen.

Laat mij meevoeren met de wind
over de rand van de horizon uit het zicht
verstrooid uiteindelijk in partikels licht
ben ik dan een golfkind.

 
 
 

Klavertjes vieren

Koppig houden de klavers vol
en de boterbloemen, in de nazomer
houd ik de zomer in mijn bol,
ook al maakt men mij uit voor dromer.

Kleurig paars en geel temidden van het tanend groen,
herinner ik mij de zon en warmte van voorbije dagen,
fiets ik onder grauwe lucht opgewekt en koen,
weet ik het winters grijs daarmee te schragen.