De nacht maakt rechtsomkeert
als we elkaar treffen aan de bar
van onverdeeld genoegen
voorbij de maskers van alledag
een oogopslag, een hartklop dichtbij
de muziek en alles verdwenen
één sorbet voor ons beiden.


Foto's en andere waar
De nacht maakt rechtsomkeert
als we elkaar treffen aan de bar
van onverdeeld genoegen
voorbij de maskers van alledag
een oogopslag, een hartklop dichtbij
de muziek en alles verdwenen
één sorbet voor ons beiden.

Begreep zojuist dat op grond van 19e eeuwse wetgeving politici in de Kamer een haast onbeperkte vrijheid van meningsuiting hebben. Terecht merkte iemand met intellect op, dat de huidige politiek zich juist vooral afspeelt buiten de Kamer. Nou denk ik dat ook toen al veel politiek buiten de Kamer(s) werd bedisseld, maar natuurlijk, sinds de 19e eeuw speelt nieuws en communicatie op veel grotere schaal en is veel sneller.
Maar zelf vind ik dat politici weliswaar dezelfde vrijheid van meningsuiting zouden moeten hebben, zowel binnen als buiten buiten de Kamer(s), maar dan wel met één wezenlijke beperking: alleen voor zover men rechtstreeks communiceert met andere politici – wel bij voorkeur en plein public -, in situaties dus waarbij politici echt rechtstreeks op elkaar kunnen reageren als men elkaar aanspreekt ( en daar valt dus communicatie via krant, twitter, het tv-scherm, blogs, joetjoep en social media nÍet onder – bij die media is het niet noodzakelijkerwijs het geval dat een andere politicus het meteen (!) onder ogen krijgt of hoort )
Vanzelfsprekend hebben en houden politici vervolgens natuurlijk overal dezelfde mate van vrijheid van meningsuiting als ieder andere burger. Maar die extra vrijheid als politicus… : het lijkt me goed, dat dát beperkt blijft tot, zeg, contact tussen politici onderling. En dát kan natuurlijk best in de volle openbaarheid voor het voetlicht gebracht worden; hoe meer debat, hoe beter.
Ik bescherm mijn weke delen
Dat maakt mij hard
Dat maakt het hard
Ik laat je wel dichtbij, maar tot zover
Steeds minder
Met alle begrip van dien.
Onder mijn huid
nestelde zich onmacht en niets-
waardigheid. Hoe dik de huid, hoe…
diep verankerd in mijn hart
Het doet zich gelden en wat slijt
en wat breekt?
Blaadjes frisse sla
als ik door jou verzadigd
van honger verga
Het is de onschuld
dat onwaarschijnlijke groen
die mijn hart vervult
Je lichte ogen
oogstrelende hand, al dat
laat zich niet logen.
Mijn hoofd zit er nog steeds op
nog steeds bij machte
Wat wil het toch?
Is mijn stoel lui of niet? Dat is
de vraag, die ik achterwege laat
Het point of no return blijft
zich maar verschuiven. Misschien
dat ik nog ’s in jouw ogen kijk
Misschien dat de zee nog eens
spoelt rondom onze voeten en
het water uit onze ogen vergezeld gaat met een lach
Languit voluit gaan: dat kán.
–