Rusteloos

Na middernacht. Ik hoor mijn adem
Van buiten hoor ik niets komen
Van binnen speelt mijn verlangen
op en op en neer gaat mijn stemming
Jij dwarrelt door mijn gedachten
terwijl ik languit lig en het plafond
in zicht blijft en zwijgt.

 
 
 

Scherp aan de kant

Het bleke gras achter het hek
op het veldje met scherp zand
een wilgenbosje en wat stenen
aan de kant van het water zat jij
in rood gekleed, je hond
rende dwaze rondjes
de dag was veelbelovend
en achter ons de treinen af en aan.

 
 
 

Nat gaan

De plassen liggen zilverachtig en donker
door zonlicht bestreken, bij vlagen wind
Ik banjer er doorheen, door de luchten
en even ben ik reusachtig groot
in een omgekeerde wereld.

 
 
 

Overheen

Verdomme, de modder. Het verbleekt
Een herfstblad gloeit naast het spoor
dat vele voorgangers trokken
door het bos, verderop
onder wijdse lucht
wenkt een armtierige boom.

 
 
 

Raad

Ik, ik , ik en dat andere deel van mij, mij, mij
glijden uit en vallen pardoes, verbeeld ik mij,
in de armen van Fortuna, het lot
dat mij vraagt of ik er wel raad mee weet.

 
 
 

Beladen

De roos staat in de hoek
het druipt er vanaf
van de doorns, de bloembladen, de geur

ontrukt aan de grond
waart ze rond door de geest
door de tijd, vastgehouden
en overhandigd met alle gewicht, zo licht.

 
 
 

Ploep! Ploep!

Een vis springt niet zomaar
op het droge. Ik hoorde vandaag
menige plons van kikkers
die weg sprongen voor mijn voeten
langs de walkant, compleet onzichtbaar
Ik ging er haast van rennen
van dat geluid, zo vrolijk stemmend.

 
 
 

Dichting

Wat als we dichterbij
Nu vermag ik slechts te dromen
Over de warmte en wat dies meer zij
Hoe het ons dan zou zijn bekomen.

De afstand is op zijn manier volmaakt
Eén keer gedicht, de wereld verzaakt.