Stille gronden, diepe wateren en de haaien
weten van geen ophouden, vreten
hele brokken, waarvan het leven ras
uit is verdwenen, waarvan geen spoor
meer overblijft dan achter hun tanden
en hun jagen in de zee.
–
Stille gronden, diepe wateren en de haaien
weten van geen ophouden, vreten
hele brokken, waarvan het leven ras
uit is verdwenen, waarvan geen spoor
meer overblijft dan achter hun tanden
en hun jagen in de zee.
–
Kan net zo goed opstaan
Het dekbed te koud
Het open raam fnuikend
in de ochtend. Vannacht
nog toereikend, ook voor een bed
dat voor de helft leeg bleef.
Dus ik kan net zo goed opstaan
en vertier zoeken in de dag.
–
Ik zag de herfst vanachter het raam
en wilde ook wel van kleur verschieten
dwarrelen, opgetild door de wind
om opgeraapt te worden
door een slanke hand
neergelegd in de vensterbank
gezien door jouw ogen.
–
Ik schenk mijzelf leeg in woorden
Onuitputtelijk dienen ze zich aan
Ik drink mijzelf gemixt met jou
Op de bodem: wat we er van maken
Als ik door de bodem zak
zal zich dat aan mijn zicht onttrekken
Mijn gedag zal echoën door de tijd.
–
Al dat gedoe ook van het lichaam
dat taalt naar eten
en zich maar keer op keer ontlast
dat zich afkeert van de pijn
verlangend naar gemeenzaamheid.
–
We gingen met de bus
een eind rijden was dat
en dan onder een blauwe lucht
liepen we door het Amsterdamse Bos
langs de roeibaan naar de plek
waar de eekhoorns kwamen
op de schouder van mijn opa
want zij hielden ook van Verkade
en ter vervolmaking klonk in de verte
zo’n propellorvliegtuigje.
De branding valt machteloos
aan mijn voeten. Aan het strand
kijk ik in de verte
en weet die onbereikbaar
In gedachten volg ik de meeuw
die van heind en ver kwam
mij even aankeek
zijn weg vervolgde en wie weet
later naar jou krijt met schorre roep
later jou in de ogen kijkt
later jou aan mij doet denken.
–
In het donker zie je me niet
heel misschien dat je hoort
hoe de golven op mij breken
Ik vang het licht en de warmte
en baad mij in de koelte van het nat.
Ze stond bij een stopbord te wachten
in de baan van de laagstaande zon
Zij lichtte op als ik niet eerder zag
om terug te keren hier in zwart op wit.
Het grijs en zwart voorbij
weet ik de maan ook wel
ergens staan en de sterren
flonkeren nog na zoveel tijd
lig ik binnen, beschut en warm
geloof ik nog net zo hard
zonder nadenken, bijna
dat mijn volgende stap ook
wel weer op vaste bodem is
en ook in kleur.