Met de hand voor ogen

Gewoon, ik mis wel even
haar nabijheid, de warmte
in de warmte van mijn handen
dat ik mijn ene been om de hare leg
een arm onder haar
zo dicht bij elkaar
dat er geen houden aan is
dat de wereld er even niet toe doet
dat het ontwaken
zich voor onze ogen voltrekt.

 
 
 

Onderbroken

De regen fluistert dat ik wel weer
kan slapen. Ik droomde mij wakker
dorstte naar meer, nog steeds
hoor ik weinig, warm in bed
de stilte nekt me nog een keer.

 
 
 

Inwaarts

Het slik ruikt en zuigt
Ik glij vooruit en bijna uit
terwijl mijn oog afdwaalt
naar de wolken, de golven
die glinsteren in het laatste licht
terwijl ik mij verlustig aan rust
Ik keer terug.

 
 
 

Nadagen

Buiten ging ik tegen het lage zonlicht in
zo groen alles nog, strak blauw de lucht
om van de wolken niet te spreken

Fris beet alweer de wind in mijn handen
aan het stuur; alleen
miste ik de ijscokar in het plantsoen.

 
 
 

Nachtwake

Voor de wind maakt het niet uit
of het licht is of het donker is
en ook mijn hart blijft kloppen
maar buiten houdt al het dagleven
zich eens temeer schuil
en doet zich geen geweld aan.