Verwijlen

Binnen. De wind buiten
om het huis houdt me gezelschap
onzichtbaar, ontastbaar, door de kruinen
van de bomen in de nacht
de stilte en de leegte naast me
zijn niet onverwacht, alleen
weet ik toch wel menigeen
die mij nog wel even zou gedenken.

 
 
 

Oeverloos

De bodem van de zee, ik ken die
slechts van vlakbij de kust
maar ik hoorde de schelpen fluisteren
kus ik het ongeziene, de diepte
mag roepen wat zij wil
ik laat me op haar drijven
aan het oppervlak wissel ik
een kus uit en meer
voordat zij, de meermin, onder duikt
en we verbonden blijven door gemis.

 
 
 

Tot bloedens toe

In het geluid gaan geen doorns schuil
als de stilte mij aanvliegt, de rozen
ontbreken, ook al ruik ik hun geur
dwarrelen hun blaadjes door
mijn gedachten onophoudelijk
deel ik de lege plek naast mij
heb ik het warm zat.

 
 
 

Ochtendtocht

De voordeur open, overvallen
door de geur van een voorbije zomerbui
de geur van vers uitgereden mest uit de verte
een blauwe lucht, de milde warmte
van zomaar een zomerse ochtend.

 
 
 

Teneer en op

Verbeeld me de zon
een regenboog, donkere lucht, licht-
vlekken in de kamer op het kleed
vanachter mijn oogleden
gevloerd
de muzieknoten dansen door de stilte.

 
 
 

In golven

Hoe de wind door de bomen ruist
in de zomer met volle bladerkronen
eerst de één volop de takken wiegend
om het aan de volgende door te geven
om in stilte te verzinken
aan de uiteinden kleurt nieuw blad

een piloot in een propellervliegtuig
gaat boven mij aan mij voorbij.

 
 
 

Deelgenoten

Mijn vingerafdrukken, mijn ogen
ze stellen niet veel voor
je kunt er op wachten dat ze verdwijnen
voor zover ze al aanwezig zijn
voor zover ze al worden gezien

vooralsnog klopt mijn hart gestaag
vooralsnog zit ik in een web
min of meer met lotgenoten.

 
 
 

04.57 uur

Zo vroeg draagt één geluid nog ver
verder door de stilte
zoveel verder weg ben jij
mijn denken blijft geluidloos
niet bij machte
het leven speelt zich in stilte af
een verloren gewonnen moment
ik zag geen enkele ster
vallen ook niet
ik keer mij naar mijn dromen om.

 
 
 

Te geef

Een dag vol wind laat het afweten
na zessen, maar de lucht
is zo blauw niet meer, door wolken
die zich verzamelen
onder het uitspansel, waar ik
gezeten ben met reikende gedachten.

 
 
 

Stijlloos

Ik schrijf onverhoedse woorden
die zich zonder dralen aandienen
opgediend op het plateau van het denken
god mag weten waar vandaan
god verhoede dat enig iemand
de vinger legt
op hun significantie.