Heiig

Nee, alleen bij hoge uitzondering
mag ik de heide en verder niet
het zandige landschap
wat alleen bij nadere bescchouwing
wat kleur heeft
wat in het hoogseizoen ervan
de grond drenkt in paarse saus
tenzij in avondlijk strijklicht van de zon
als zelfs het meest afzichtelijke gloeit
en mijn hart verwarmen mag.

Tot genoegen

De wereld staat en valt
staat en valt
bij de bevolking
waar het allemaal ook al niet overhoudt
ik niet eens mijn weg zoek
mij staande houd
een weg voltooi
waarvan ik niet weet of het de mijne is.

Andere tijden [kindertijd]

Waar is mijn opa
gebleven
met wie ik door de dreven
toerde aan het begin van mijn leven
tot een jaar of zeven?
Hij was mijn grootvader
mijn grote vader
die mij mocht ongeacht wat
dat was een makkelijk gegeven
maar desondanks
sindsdien verloor ik wat had kunnen zijn
wat kon uitmonden
in andere tijden samen
in misschien wel nog een ander dan hij was
misschien ook een ander dan ik nu ben

de verhuizing toen
weg
van de plaats van mijn nog jonge leven
van de hoofdstad naar de plek
in het noorden des lands
dat dorp, Uithuizen
ten tijde van “Guus kom noar huus”
(“de koei’n stoan op spring’n”)
weg van een tweede keer eerste klas
waar ik net een vriendje had
– Martin Sterel? –
zo eentje die mooi woonde in de flat
tv had en een vader met Mercedes
waarin we een keer reden
naar een zomers zwembad

de tijden dat ik nog zwierde
met de step over de brede stoep
in Buitenveldert
waar ik meerdere pijlen schoot
en steeds maar weer mijn boog brak
en met sneeuw met slee
de helling afging
– talud van een nieuwe weg? –
waar ik mijn net gewisselde tand ook
nog brak en verdoofd werd in mijn gehemelte
met nooit eerder ervaren pijn

de tijden dat ik nog achterop de oranje brommer
van mijn moeder, zwart-wit gehelmd
niet alleen ging naar de vrije kleuterschool
maar ook naar houtbewerken
– echt? echt waar? –
en naar de arts wegens oorpijn
van de zwemles, al herinner ik me
alleen de cr锚che nog van daarvoor
de geur van doorgekookte groente
en de smaak van ligakoek

de tijden dat mijn opa er nog was
dat ik matzes mocht
met zoveel bruine suiker als ik bliefde
en we eekhoorns voerden in het amsterdamse bos.
(met stukjes pure chocola van Verkade 馃槼 )

Noten op zang

Mocht ik, ooit, heengaan
nog verder van deze wereld
dan ik nu al ben
al is die nog zo dichtbij
misschien wel altoos te dichtbij
mocht ik dan alsnog
alsnog een lied zingen
alsnog een dans opvoeren
een paar woorden nog
alsnog herinnering mee geven
laat het dan iets zijn
aan iets moois
al ben ik nergens meer
en gewetenloos.

Wat mooi uitkomt

De kleine lieden
met hun tiny houses
– kleine huizen –
met hun meestal niet al te groot budget
met hun idealen van eerlijk en rechtvaardig
waar iedereen een even groot deel heeft van de koek
van welvaart
wie laten ze er wel bij varen
wie komt er ongemoeid mee weg?

Handbereik

Uit alle hoeken en gaten
komt de wereld tot ons
moderne mensen
zelfs alle uithoeken van de wereld
als we er al niet zelf heen gaan

De aarde is nog even groot
als in de stoomtijd, als in de ijzertijd
en de tijd van koper
en de tijden van daarvoor
van weleer

De wereld echter, de onze
is te klein geworden, om te behappen

De wereld:
ik wil die weer de mijne maken
dat ik het overzie
misschien schep ik wel mijn eigen
of laat ik alles voor wat het is
tot het over de drempel klotst
Dan zien we wel weer verder.

Bloem [geplukt]

Wat, wat zeg je van een veld
onder de zon, van het gras
een groep wilgen aan de waterkant?

Wat, wat zeg je van de oever
van de rivier waar een enkele boot
voorbij voer, waar insekten zoemden
waar wij zoenden
en meer van dat?

Wat, wat zeg je van dat veld
dat van geen wijken mocht weten
maar het veld ruimde
voor een herinnering?

Sekseneutraaltaal

Die gender- ofwel geslachtsidentiteit en -inclusiviteit. Eerlijk: soms erger ik me , of verbaas ik me, en vraag ik me af of men soms niet het verschil tussen de betekenissen van de begrippen ‘gelijk’ en ‘gelijkwaardig’ wel voldoende onderscheidt.

Vanuit enkel het biologische en perspectief van – geslachtelijke – voortplanting is de norm – nou ja, beter gezegd: een natuurlijk gegeven – dat voor het voortbestaan van een soort die afhankelijk is van geslachtelijke voortplanting er toch, met het oog op het voortbestaan van die soort, voor het overgrote deel van de individuen sprake is en moet zijn van vruchtbare mannetjes en vrouwtjes en dat die het ook nog ’s voor de meerderheid met elkaar willen doen, zogezegd.

Dat neemt niet weg, dat, zoals overigens ook bij andere dieren, er allerlei minder voorkomende uitingen dan wel afwijkingen van die “norm” (datgene wat het meeste voorkomt) voorkomen. Het zou me niet verbazen als ook die – steeds maar weer voorkomende en optredende – afwijkingen van het meest voorkomende 贸贸k een functie blijken te hebben 贸f ten minste niet het voortbestaan van de soort in de weg zitten (anders deden middels evolutie die afwijkingen van de norm zich al niet meer voor).

De menselijke soort is denk ik de enige soort – tot nog toe – die in de loop van zijn geschiedenis meer en meer in staat is tot reflectie en tot cultuur, tot reflectie op en rekening houden met hoe de mensen zich zelf verhouden tot elkaar en tot de rest van de natuur en de wereld. En daarmee tot een cultuur, die althans tot op zekere hoogte in zich heeft dat de mens m茅茅r dan andere organismen (ooit) in staat is om zelf z’n voortbestaan (of teloorgang) te bepalen. Op dat vlak van cultuur kan de mens dus ook zelf m茅茅r rekening houden met alle grijstinten die er zijn als het gaat om geslacht en geslachtelijke identiteit, dat het ook niet altijd om 贸f dit 贸f dat geslacht of voorkeur gaat.

Met dat feit van grijstinten kunnen we wellicht ook in de taal rekening mee houden, bv. . Tegelijkertijd zou, wat mij betreft, de taal nooit moet verbloemen dat er verschillen zijn die algemeen voorkomend zijn, zoals tussen mannen en vrouwen; verschillen in taalgebruik zou je kunnen, of moeten, maken, waar die verschillen ter zake doen. Anderzijds kun je, waar dat verschil in geslacht, waar onderscheid naar geslacht 眉berhaupt niet echt toegevoegde waarde heeft, inderdaad ook “sekseneutrale” woorden bezigen. Maar of dat dan op elk moment moet, tav. elke individu afzonderlijk, dat je in je taalgebruik rekening moet houden met elk individu afzonderlij en diens evt. gevoeligheid tav. geslacht/identiteitsaanduiding?

Toekomstverwachting

Wat er ook is, de toekomst is er niet. Alleen een verwachting of een hoop op, of idee van een (bepaalde) toekomt De toekomst is dus ook niet onzeker – wat er niet is, kan ook niet onzeker zijn. Wat onzeker is, is de verwachting van een toekomst, het idee, de hoop.

Die onzekerheid, waar men het wel ’s over heeft, alsof het van de toekomst zelf is, die ligt dus in de eerste plaats bij ons zelf. Misschien dat we dan ook zelf iets met die onzekerheid, met onze verwachtingen kunnen (doen), in plaats van de passieve houding die gepaard kan gaan met die zogenaamde, zogenoemde, onzekere toekomst. Hetzelfde geldt natuurlijk evenzeer voor die zogenaamde “zekere toekomst”… 馃榾聽 #goedenavond