Nieuws is dit alleszins niet
noch een pijp, noch een hart
noch de tanden van een bard
en ook de hemel blijft, zoals je ziet,
even hoog, bewolkt of blauw en allicht
uit het zicht ik je een warm hart toedicht.
Zo lang zwem ik al alleen
Reik jij dan naar mij
weet ik niet anders
dan je vast te houden
met onze hoofden bij elkaar
rustend in elkaars armen
stil te staan en de zee
achter te laten
en vrij te ademen
naar mijn hart, jouw hart.
Een dun laagje wit, vers
over de dagen van oude sneeuw
het zwarte ijs net afgedekt
lijkt de wereld grijs en stil
de kou de aftocht blaast
blijft het bij nul graden
waar het water is gestold
Onuitgenodigd treedt het binnen
in de kamer waar de ijsbloemen
van de ruiten zijn afgedropen
het effen licht zich
een weg baant en mijn doen
en laten doet verstarren, opgezadeld
met een verlangen naar eens zoveel
warmte als toen de kou nog heerste.
In elkaar gedoken
van de wereld weg
alle warmte die je rest
omhels je, gesloten ogen
buitengesloten
omhels je het donker
dat de zinnen bedaart
een warm handgebaar
een vraag hoe het gaat
laat je schouders schokken
of nog dieper
wegkruipen in elkaar.
Er was Nelis, er was Felix
Dolci vergezelt me nog
Dat hartzeer bij ’t verscheiden
Toch laat ik maar niet los.
Kinderen, kinderen, ouders
praat me er niet van
de schrik me om het hart slaat
kinderen te overleven.
Voetstappen in het wit, ik kijk
op en om mij heen en overweldigd
sla ik het gade, hoe het landschap
ook zonder jou zich openbaart
in stilte, geluiden zonder wanklank
zeg ik dank ook deze dag
van kou en de warmte, ik mag
die koesteren van binnen.
Dat rood, dat onverwacht
in mijn blikveld mijn hart beroerde
Een tijd geleden, bij min vijftien
denk ik daaraan, wat vervlogen
het zonlicht dat werd gevangen
in bladgroen en in kleur
is weg, wat rest
het verlangen naar breekbaar licht.
Hoe je er nu bijligt
of zit, dat is de vraag
mijn vraag
waarover ik in het ongewisse
verkeer, dat maakt niet uit
Geen bericht is goed, zo
men wel zegt
en laat ik daar maar van uitgaan
Het is is mijn hoop
zeg maar, in bange dagen.
Het was zo’n dag
dat ze vroeg: wat kijk je nou?
dat we ’s ochtends elkaar kusten
tot afscheid, net een fractie langer
dat in de loop van de dag
bij verloren momenten ik steeds aan je dacht
dat we geen zin hadden om te koken
en we zochten een gedekte tafel
en lieten het ons smaken
dat we geen erg hadden in de kou
en alleen oog voor elkaar op de terugweg
dat op het einde van de dag
we elkaar weer zo nabij
als nooit eerder
dat we proefden
van elkaar en elkaar
bevrijdden met een zucht.
De leegte knaagt
als het hart nog steeds blijft kloppen
voor haar die zo nabij kwam, zo ver
is nu, dichtbij nog in gedachten
soms in een oogwenk zij me aanvliegt
al is het in gedachten.
soms haar woorden meer spreken
dan het enkele woord alleen
in gedachten denk ik soms, mensen,
mensen, waar moet dat heen?