In het hart van het land
is mijn hart gelegen
Aan zijn kust
mijn verlangen aanspoelt
Op de berg
kijk ik uit naar mijn lief
Met het water
van de beken en de rivier
stroomt mijn liefde naar je uit.
In het hart van het land
is mijn hart gelegen
Aan zijn kust
mijn verlangen aanspoelt
Op de berg
kijk ik uit naar mijn lief
Met het water
van de beken en de rivier
stroomt mijn liefde naar je uit.
Jouw dag de mijne niet is
hoe die ook valt
als een jas om jouw schouders
met of zonder das
we hem een beetje kunnen delen.
De kou went wel, maar liever
zou ik wennen aan de warmte
en de vonken over en weer
tussen onze lichamen
ogen en woorden
in de greep van verlangen
mijn liefste
Een chocolaatje
is ook maar je dat.
Zij niet in mijn nabijheid is
mij haar kussen ontbreken
haar aanraking, het strelen
wederzijds en het vast omklemmen
mijn oog zich niet verliest
in de aanblik van de ronding
van haar mond, haar schouder
het kuiltje in haar hals, de welving
van haar dijen en hoe ik niet
haar borsten lik en zachtjes bijt
hoe zij mij grijpt en knijpt
en hoe we niet bij zinnen
van geen ophouden weten
en we niet meer weten
waar onze lichamen
eindigen, beginnen
lippen elkaar raken
tongen warm in de holten
elkaar proeven
elke oneffenheid koesteren
het zweet, het vocht
de lijfelijkheid die voert
ten top, het samenkomen
hoe dat niet, van dat verlangen
ja, daarvan
men geen chocola kan maken.
Mijn hart is vol, mijn hoofd loopt over
van gedachten, woorden, die meer
en meer een werkelijkheid scheppen
een droom die los raakt van de wereld
een vlucht neemt
waar jij en ik achter blijven
aan de uiteinden van een regenboog.
Het licht niet wacht
ook al keren we in de nacht
het de rug toe, met overgave
we het zoeken bij elkaar
en soms, soms het langs komt
in een droom, tot de morgen
ons weer verlichten mag
met een kus, een handgebaar.
Viel als een blok, het restant
van een eens zo jonge loot
word ik opgenomen in je schoot
heel en al bij zinnen, ’t verstand
voorbij, stijg ik uit boven mijzelf
houd me vast, maak ik je vast
even licht, ik het onderspit delf.
Viel als een blok, het restant
van een eens zo jonge loot
neem me in je schoot en kus me
tot in de hemel in een instant
stijg ik boven mijzelf uit, houd me
vast en ik maak je vast even licht.
Als ik mij in het donker verloren waan
hoor ik jouw stem mij roepen
jouw adem in deze ruimte
geeft me lucht en op de tast
laat ik mijn binnenste buiten
vergezellen van een kus.
Laat ik de avond achter me
de nacht haar opwachting maakt
Rondom jou mijn gedachten dwalen
waar in de ene kamer van mijn hart
mijn verlangen zetelt,
in de andere jouw geluk
mag je met een lach, een traan
je leven wel verhalen.