Woelenderwijs

Het ritme van waken en slapen
kent zijn eigen tijd, als de maan
haar netten spant van licht
het midden van de nacht vergaan
het leven zich tot daar verdicht

waar ’t nog zijn ogen uitkijkt
het donker met zijn stem verrijkt

dan zeg ik dag, met de dageraad
in het verschiet maan ik me
en dompel mij onder in het donker
met een wel te rusten op mijn lippen.

 
 
 

Ontmoet

Als ze haar weegs gaat, ik de mijne
Een vraag doemt niet op, maar rijst:
het voetspoor dat je maakt,
het voetspoor dat ik maak,
kruizen ze elkaar en waar
dan, als we elkaar uit het oog
verliezen? Niet verloren
zolang de herinnering beklijft
en wie weet
waar het mij bracht
en jou bracht
welke wegen ons open stonden
welke weg je ging, ik ging.

 
 
 

Gedeelde stem

Daar liep ik, nee, danste ik
licht langs de zee
de branding was summier
de wind leek wel speciaal
voor mij te zijn gaan liggen
de zon kreeg ik in de gaten
op mijn blote hoofd
zong  ik hardop de nodige
gibberish om mijn hart te luchten.

 
 
 

Afslag

Op het strand richt ik mij voetstoots
langs de zee naar de einder
blijf ik tussen de branding en de duinen
Landinwaarts is een gegeven
waar ik aan voorbij kan gaan
totdat de zee dan zelf ingrijpt.

Laat ik de horizon maar wenken
voor wiens tred nog aan moet sterken
Laat ik de verte voor wat die is
en verken het vaste land.

 
 
 

Bij vlagen

Dat ruisen van de wind door de bladeren
Van de wind door het riet
Van de branding van de zee
En zelfs van ver verkeer
Het ruist door mij
maakt mijn denken los
roept mijn verlangen op
in bezonken stemming
naar wat onbestemd, dan wel
om te rusten in je schoot.

 
 
 

Beeldje, beeld je in

Dat beeld, dat is maar een spiegelbeeld
een schaduw van de werkelijkheid
zoals die zich in het echt voltrekt

Toch, het zou niet best zijn
als die echter geen spiegelbeeld had
Ook het spiegelbeeld, dat heeft zijn eigen leven
dat zich spiegelbeeldig voltrekt.

 
 
 

Welluidend

Die avond dat het geluid ver droeg, verder
dan ik ooit tevoren hoorde
liep ik ook nog eens met vaste tred
met mijn hoofd in de wolken
en ik dacht
zal ik eens heel, heel hard roepen
naar haar en zo ver als zij was,
zou ze met gespitste oren
dan een klok horen luiden?

 
 
 

Meermin

Als de nacht vordert, wolken onzichtbaar
het licht weghouden laag bij de grond
dan stijgt mijn hart op en overspant
de wolken, de sterren, het heelal
in zo luisterrijke grot, door liefdestromen
uitgehold in ’t geheimste van de wereld
ik in je oren fluister.

 
 
 

Het overgaan van een vliegende vis

Je hebt altijd gevlogen boven en in de zee
ook toen je krachten taanden
volgde je de school, in haar beschutting
liet je lichaam je zomaar gaan
Of je raakte achterop, je lichaam schoot
tekort voor die reuzenvluchten over water
Je gaf niet op, nooit op
maar toch bleef je kwetsbaar aan de rand
en toen misschien achter en alleen
jij zelf wist hoe je ten einde kwam.