Ben even op de zandtour:
daar draaien die korreltjes me een loer.
Ze bieden me een stevig bed
waar ik me uitstrek
maar hun gekners en geknars bij mijn kadet
benemen me allengs elke trek.
Ben even op de zandtour:
daar draaien die korreltjes me een loer.
Ze bieden me een stevig bed
waar ik me uitstrek
maar hun gekners en geknars bij mijn kadet
benemen me allengs elke trek.
Zand op de bodem van de zee
op de stranden van de kusten en in de wind
De sterren zijn verder maar de oceanen
zijn nog diep genoeg, maar niet diep genoeg
dat de mens er voor even haar sporen nalaat.
De sterren roepen
op Hollywood boulevard
twinkelen, heel erg voor elkaar,
niemand die denkt dat ze moeten poepen
op de rode loper, op het scherm al dan niet 3D
Een illusie, dat is ’t hele idee.
In de hof van Eden staat een kind
Het er geen mens meer vindt
De resten liggen neer in stof
Dwaalt door ’t industriĆ«le kerkhof
Waar geen kerk te vinden valt
god noch gebod roept halt
kabbelt de tijd rustig door
ook al vindt die nergens gehoor.
In de hof van Eden staat een kind
Het verdwijnt gezwind.
De gouden bergen die worden beloofd
Door de schittering raak ik verdoofd
Maar God zij geloofd
Het blijkt een waterhoofd
Wie dat heeft bekokstoofd
moge die van zinnen worden beroofd.
Te moe voor een toetje toe
haal ik ’t ook niet rechtstreeks van de koe
En wat is nu de clou:
Ik verder aan dit toetje geen tijd verdoe.
Ik weet het goed gemaakt
Alles komt zo op zijn tijd
De sneeuw en de sneeuwklokjes
De laatste wintergast weer naar het noorden
De krokussen en de narcissen komen heus
nog wel weer dit jaar
Komen zacht aan in felle kleuren
Houd ik het voorlopig nog even hier bij
En pluk de dag
Laat de bloemen voor wat ze zijn.
De wijn vloeit weer rijkelijk
daar heb ik behoefte aan klaarblijkelijk
En als ik dan te diep in ’t wijnglas kijk
waan ik me een koning te rijk
“Maar” zegt u dan tegen mij
Maar ik zeg nuchter:
echter is het heden mij meest nabij.
(Wees niet al te schuchter.)
At ik met pit en al een appel
om die abortus maak ik me niet te sappel
Sappig fruit vult fris en zuur mijn mond
Ik geen van de tien geboden schond.
Vlieg naar de maan, zacht
verdwijnt de dag uit het zicht
geef mij zomaar over aan de nacht
aan wat er in mijn dromen voor mij ligt
te wachten, waar gedachten tot niets vergaan
Wellicht moet ik er vannacht wel aan
geloven, maar dat geloof ik nu nog niet
Zo ja, men dat alleen in deze wereld ziet.
Vooralsnog ga ik er maar stil van uit
U, lezer, ik, schrijver, zitten in dezelfde schuit.