Onder de zon gebukt
zet ik voet voor voet
kom ik toch vooruit
tegen wil en dank vooruit
met alle zwarte gaten vooruit
met alle beren op de weg vooruit
tegenstribbelend vooruit
wil ik toch soms vliegen.

Foto's en andere waar
Onder de zon gebukt
zet ik voet voor voet
kom ik toch vooruit
tegen wil en dank vooruit
met alle zwarte gaten vooruit
met alle beren op de weg vooruit
tegenstribbelend vooruit
wil ik toch soms vliegen.
Het land geploegd
de voren getrokken
klaar voor later tijd
tijd voor een dronk
Woorden spreken
van de winter, de open haard
van de vlammen, het knisperend hout
die het donker en de kou van later
buiten houden, op een afstand
Van een afstand woorden
aanwaaien en spreken
over de warmte van eertijds
over het licht van later
Hier nu de woorden spreken
van hoe ver zij komen
van welke hand ook
ze in het hart belanden
van de nacht.
Buiten zinnen les ik mijn dorst
aan de woorden en de beelden
die springen in mijn oog
druk ik het leven aan mijn borst
dat ik met muis en toetsenbord
uit het scherm weet te wringen.
De dag ving aan met een dageraad
in rood en roze en oranje
dat achter de wolken vandaan kroop
in het water weerkaatst
waar ik aan voorbij ging
en meenam in gedachten
toen het grijs werd en weer donker.
Opgerold en in elkaar
gedoken, koud
houd ik krampachtig
de restwarmte vast
van toen, toen
ik nog onbekommerd
– min of meer –
mij overgaf aan de zon.
Die paar dozen ingepakt
op straat gezet
met enkele stoelen, een tafel
een staande lamp, een vingerplant
en zo nog wat zaken meer
De tv verkocht
Ze stonden er bij
en het was natuurlijk
hun eigen schuld.
De herfst is niet van de lucht
Steeds meer blad het laat zitten
er gekleurd op staat en valt
De bomen nakend
de winter tegemoet
moet ik zelf ook
van kleur verschieten.
Het lichaam kraakt, aangedaan
door de loop van het leven
de geest zucht, om dezelfde reden
IJzer breekt men niet met handen
en als ijs gebroken is
staat men liever op vaste grond
Wachtend ben ik nergens meer
dan een wachter, terstond
draag ik mijn hart met hartzeer
dat klopt nog aan één stuk door
‘k nog immer tot de levenden behoor.
Als de bloemen niet meer bloeien
het geel en wit, het incidentele rood
Als ook het groen verdord op straat
ligt en verwaait en weg
de velden nat en donker
dorst ik naar schoonheid die voorbij
gaat aan het oppervlak van de zomer
die onderhuids gaat
diep in mijn gemoed beklijft.
Het geeft geen pas het hart
er buiten te laten, het klopt
niet voor niets, het bloedt
De bloemen springen
in het oog. Ziet:
het lichaam zich verheft
van uitgestrektheid weg
De horizon blijft
Dichterbij ben jij
en al het leven.