Zachte adem, nog een teer gebaar
en nog een kus en ogen
ogen die elkaar niet loslaten
ogen die beminnen, verdrinken
niet van wijken willen weten
een los gaan dat blind is
een opnieuw beginnen
van het denken weg.

Foto's en andere waar
Zachte adem, nog een teer gebaar
en nog een kus en ogen
ogen die elkaar niet loslaten
ogen die beminnen, verdrinken
niet van wijken willen weten
een los gaan dat blind is
een opnieuw beginnen
van het denken weg.
Voor het midden van de nacht
in der minne geschikt
in elkaars adem ingeslapen
toereikende lijfelijke warmte
dekt een enkel laken toe
wat onverbloemd
met een kus begon
en onverbloemd
eindigde vederlicht.
Wat moet ik velen
deze dag op mij leunde
op mijn rug droeg ik ze
de uren die ik moest ik delen
zo genadeloos de tijd
liet ik het afweten bij de zon
wist ik amper van het licht
liet ik mij tot zover gaan.
Was jij hier en had ik abrikozen
zou ik je liefkozen
met het sap
partjes delen met de mond
of we zouden voor ons part
dat vruchtvlees laten staan
en overgaan tot zinnenspel
een toon hier
een lichte streek
een doordringen tot elkaar
voorbij het vlees tot aan de pit
de kern die bloot ligt
mond op mond, oog in oog
handen, voeten, benen, buik aan buik
ademloos en steunend, kreunend
een laten gaan, vrij, zo vrij
en weerloos
bij elkaar.
Het zonlicht over de horizon
de dauw nog amper van de velden
of een enkeling plukt daar al de morgen
de dag nog onbevangen door de warmte
welgevallig uitzicht voor de vroege vogels
Onder ons gezegd
kwam de zon zomaar ook bij mij terecht
al mijmerend over zo een vroege ochtend.
Dat jochie, ventje, jongetje
schoot pijlen in de hemel
steeds tot zijn bogen braken
bouwde torens hemelhoog
tot ze aan ’t wiebelen bezweken
Dat jochie reed zo hard autoped
dat zijn hart van onvervalste
vreugde van geen ophouden wist
at pannekoekentaart zo machtig
Het water loopt ‘m nog steeds in de mond.
Dat jochie kroop zo graag
in bed als de tonen van zwijmel
muziek hem in de oren klonken
geborgen, zo geborgen als de kleine
zich nimmer meer geborgen wist.
De wijn is op, ik kan er niets anders
van maken, met de wijsheid in dop
geniet ik nog even na, de nacht
is nog jong en alleen
in mijn dromen, in mijn dromen
ben ik daar waar ik moet wezen
De wijn is op en ergens mijn lief
– en ja, dat ben jij nu stante pede ook –
valt weliswaar nog meer te drinken
uit die bodemloze put
maar gedragen tot mijn genoegen
heb ik niets meer
dan een enkele kus te delen.
De woorden zijn niet van de lucht
zo een kortstondig leven
voordat men ze hoort
Vervliegen ze, stom
voor het trommelvlies aan
En dan nog: hun betekenis onbestendig
in de hoofden van hen die luisteren
vliegen ze alle kanten op
die woorden, niet van de lucht
niet van de mond, niet van het oor
noch van het denken zijn de woorden.
Glij langzaam weg. De fadozangeres
blijft zingen, zingen en de noten
ritselend ontspringen aan de snaren
mijn oren bereiken, met gesloten ogen
ik het gevoel verlies
van links of rechts, mijn handen
hebben de warmte in hun vingers
houd ik het verlangen in mijn hart
in een moment van weemoed.
En die beesten maar trekken
of het nu gnoes zijn, of zwaluwen, of padden
wijselijk neemt hun instinct hen bij de kladden
voor voedsel, warmte, elkaar te dekken
Gaan wij mensen in een draf
over land en zee en door de lucht
lijkt het wel een grote klucht
is het echter bij de trekkers af
Maken we ons de natuur meer eigen
tot in al haar hoeken en al haar gaten
we er geen genoeg van krijgen
De aarde doet ons wel uit de doeken
als we er in de haast toe neigen
de toekomst vandaag al in te boeken.