Enigszins
van zinnen beroofd
en woorden
die te kort schieten
Kon ik het overdoen
deed ik hetzelfde
ongelogen.

Foto's en andere waar
Enigszins
van zinnen beroofd
en woorden
die te kort schieten
Kon ik het overdoen
deed ik hetzelfde
ongelogen.
Op het strand richt ik mij voetstoots
langs de zee naar de einder
blijf ik tussen de branding en de duinen
Landinwaarts is een gegeven
waar ik aan voorbij kan gaan
totdat de zee dan zelf ingrijpt.
Laat ik de horizon maar wenken
voor wiens tred nog aan moet sterken
Laat ik de verte voor wat die is
en verken het vaste land.
Dat ruisen van de wind door de bladeren
Van de wind door het riet
Van de branding van de zee
En zelfs van ver verkeer
Het ruist door mij
maakt mijn denken los
roept mijn verlangen op
in bezonken stemming
naar wat onbestemd, dan wel
om te rusten in je schoot.
Dat beeld, dat is maar een spiegelbeeld
een schaduw van de werkelijkheid
zoals die zich in het echt voltrekt
Toch, het zou niet best zijn
als die echter geen spiegelbeeld had
Ook het spiegelbeeld, dat heeft zijn eigen leven
dat zich spiegelbeeldig voltrekt.
Die avond dat het geluid ver droeg, verder
dan ik ooit tevoren hoorde
liep ik ook nog eens met vaste tred
met mijn hoofd in de wolken
en ik dacht
zal ik eens heel, heel hard roepen
naar haar en zo ver als zij was,
zou ze met gespitste oren
dan een klok horen luiden?
Als de nacht vordert, wolken onzichtbaar
het licht weghouden laag bij de grond
dan stijgt mijn hart op en overspant
de wolken, de sterren, het heelal
in zo luisterrijke grot, door liefdestromen
uitgehold in ’t geheimste van de wereld
ik in je oren fluister.
Je hebt altijd gevlogen boven en in de zee
ook toen je krachten taanden
volgde je de school, in haar beschutting
liet je lichaam je zomaar gaan
Of je raakte achterop, je lichaam schoot
tekort voor die reuzenvluchten over water
Je gaf niet op, nooit op
maar toch bleef je kwetsbaar aan de rand
en toen misschien achter en alleen
jij zelf wist hoe je ten einde kwam.
Nee, digitaal is het geen kunst
mij zelf bloot te geven
maal als het om het even is
doe’k in ’t echie wat ik hier mis
Een hapje en een drankje
een kwinkslag kan er ook nog bij
met een schone aan mijn zij
houdt het niet op bij een bedankje
Mijn zwaard dat heb ik aangegord
Zo ik mij willig in de avonduren stort
En valt er onverhoopt niets voor
Dan zingt men hier digitaal in koor:
Lang is het leven niet beschoren
Houd je blik gericht naar voren
Zonder verbeelding is geen kunst
Mét, kun je je verheugen in zijn gunst.
De zon en ik zijn op z’n tijd best maatjes
aanjager als hij is van al het leven hier
alleen overheerst regen op mijn staatjes
Onbewolkt, zon. Daarmee maak je goede sier
Licht, maar ook warmte buitendien
waaraan we ons bleke zelf mogen laven
op het terras, op het water en misschien
als we nog een zomer kunnen staven
de ijscoman ons wat scheppen doet
op het terras ons glas weer vol
een zwoele avond maakt een zoet
verlangen wakker naar onbeperkte tijd
van praten, stilte, lopen zonder tol
te betalen aan moeten dat ons scheidt.
Na enen wordt het toch een keer tijd
Voor tweeën is het nog niet te laat
Drie maakt er één te veel
Ik zie je al slapen
zacht
je adem gaan en je lijf
zich spant, ontspant, het plotse
trekken, het nauwelijks bewuste keren
onder de deken, het reiken
naar de warmte
Een gemeenzaam goed.