In het hart van een bloem
een bij niet dichter bij de zon
adem ik licht de geur van rijp fruit
proef ik licht haar vlees
neem ik het leven tot mij
als de maan het sterrenlicht.

Foto's en andere waar
In het hart van een bloem
een bij niet dichter bij de zon
adem ik licht de geur van rijp fruit
proef ik licht haar vlees
neem ik het leven tot mij
als de maan het sterrenlicht.
Ten ene male slaat men elkaar met woorden
om de oren of het niets is of erger
dan dat, met vuisten, met vuur
wapens in ieder geval, hoe groot
de afstand ook mag bedragen
met welk een bang ook
dan wel geweldig sluipenderwijs
de mens zichzelf de das omdoet.
Ontvoerder gezocht voor werk in uitvoering
en mij kan vervoeren
is wat ze zei, ze deed er toen het zwijgen toe
ze maakte een gebaar, of twee
ze wenkte langs de snelweg, waar menigeen
voorbij vloog als van hartzeer geen sprake was
ze stond daar maar, maar
in de oogwenk dat ze opgaf
zich er zelf toe bracht het op een lopen te zetten
in die oogwenk zag een ander haar
voor wie ze was.
(voortgeborduurd op de zin “Ontvoerder gezocht voor werk in uitvoering en mij kan vervoeren is wat ze zei” van Lindiana Valon)
Als in je mondhoek nog wat jam zit
van een ontbijt op bed of zomaar
van een gehaast eten aan het aanrecht,
kom dan even bij me
en laat me gaan en graag
je hoofd, je mond en ik kijk
in je ogen en op de tast
lik ik zachtjes de hoek van je mond.
Naadloos voegde ik mij tussen lucht en aarde
stil gestaag bewegend bij aarzelende wind
witzilver, zilvergrijs, grijs, grijswit de wolken
velden fel groen en beige van het droge koren
Niet meer dan steeds een vermoeden
van een zon die het landschap mint
De bas van een erfhond
wegstervend propellergeronk
het klagende roepen van een buizerd
Ik wist welke kant ik ging
Het weer had geen idee.
(voorbeeld van buizerd en zijn roep)
Bellenblazen, in gedachten reis ik mee
opgetild onwaarschijnlijk licht
door kleuren bevangen
spelend over het vlak zwevend
zo kwetsbaar, maar nauwelijks meer
dan wij, houden we onze harten vast
laten we onze harten vrij
en met een handreiking
springen in een oogwenk de vonken
over, over en weer.
Bederfs treurnis van de bladeren
uiteen gespreid over de grond vergaan
tot voorbij het najaar, klinkklaar
voor de winter intreedt, eet
men de soep zo heet
mogelijk, als de goden vergaderen
over regen, hagel, wind en sneeuw
zij luidkeels boeren en op tafel slaan
ze op de agenda blijven staan.
Vergeten hoe het riet
bij al het groen nog dor
afstak bij al wat wat eertijds
ontsproot en in knop
Vergeten hoe lang
het nog donker was en het duurde
voordat ook de laatste bomen
zich tooiden in groen
en armen en benen ontbloot
tot dagelijkse kost verworden.
Altijd je ogen geopend, verdacht
op wat zich voltrekt daar buiten
Weet je je ogen op tijd te sluiten,
dat de wereld je blijvend toelacht
Heb je soms een blinde vlek
voor de schoonheid die zo schrijnt
Soms is het de lelijkheid die verdwijnt
Zo mooi is dat, dat is niet gek
Twee benen kunnen tot zover lopen
Twee armen kunnen zoveel dragen
Een hoofd blijft maar stil hopen
dat we ons niet verlagen
blind ons geluk te kopen
de poten van de hoop te zagen.
Vissen zwemmen in haar baren
Vissers komen niet dichter bij
dan die schepsels te vergaren
zee op ijs gezet, als het ware
Zij zelf is te groot om te behappen
Een enkele vis, dat maakt ons blij
Weet men er kapitalen bij te lappen
voor vruchteloos vermaak in rij.