waar ik langzamerhand echt een pesthekel aan heb: “Dat is een goede vraag.” Je wordt langzamerhand dood gegooid met goede vragen, als je het allemaal zo aanhoort.
Van vandaag en eertijds
Langs de bouwrijp gemaakte
bouwplaats snoof ik de geur
van zand en klei, van vers cement
van toen ik nog speelde
aan de randen
van de nieuwe wijk de Ripperdadrift
daar te Uithuizen, bewapend
met geelbeige proppebuizen
en misschien dat resthout
door onze handen verkoolde
in een terloops vreugdevuur
voordat het écht te laat werd
De blinddoek van vrouwe Justitia
Vrijdagoverpeinzing: gelijke gevallen gelijk behandelen. Strikt genomen, fundamenteel gezien, is geen enkel geval gelijk aan het andere. Zaken lijken, op het eerste en misschien wel zoveelste gezicht wel hefzelfde, maar zijn dat uiteindelijk niet. Het feit dat je zaken als zodanig van elkaar kunt onderscheiden, betekent al per definitie dat er verschillen zijn.
Bedoeld wordt met dat op zich prima uitgangspunt, dat gevallen die gelijk zijn voor zover de aanwezige verschillen er niet toe doen, dat die gelijk behandeld moeten worden. Daarmee komt dan meteen het toch complexe van zo’n eenvoudig rechtvaardigheidsbeginsel om de hoek kijken. Welke verschillen doen er toe en welke niet? Door voortschrijdende wetenschap, kennis, kunde en inzicht kunnen we tegenwoordig verschillen onderkennen, die vroeger helemaal niet werden gezien. Ook dat bepaalde verschillen aantoonbaar verschil maken, waar ook dat wederom vroeger helemaal niet onderkend werd, of zelfs niet onderkend kon worden.
Vanuit het oogpunt van genoegdoening voor diegenen die slachtoffer zijn van onrecht en/of ongeluk valt op zich dan wel te beargumenteren, dat veel meer nadruk wordt gelegd op de misdaad of overtreding zondermeer, zónder daarbij te betrekken hoe verschillend de achtergronden kunnen zijn van die misdaden of overtredingen, van het ervaren onrecht. Alleen dat punt dat gesproken kan worden van ‘ervaren onrecht’, ook dat maakt het meteen al weer subjectiever, complexer. Ook daarvoor geldt dat toename van kennis en begrip, mogelijkerwijs, in de loop van de tijd maatschappijbreed doorsijpelt op den duur en dat daarmee ook de noodzaak tot die mate van genoegdoening, zoals nu gangbaar is, ook dan minder wordt. Maar misschien is en blijft dat wel een utopie.

Tot slot
Geef me nog een woord, een
ademtocht. En nog één, en nog
één en een paar jaar. Zoveel nog
dat ik nog even kan doen alsof
het einde nog ver weg is
En onderhuids stroomt
het bloed rood
van leven, van liefde, teken
van gevaar, als het vrijuit
gaat. Een stoplicht, een hart
met een pijl erdoor laat
de wereld stil staan
voor je het weet.
Kosteloze humor
peinst: hoeveel (beoogde) humor zou er over blijven als alle (beoogde) humor ten koste van een ander er niet meer zou zijn?
Wie leeft op drijfzand

Autobiografische bespiegeling
Na de eerste klas Vrije School
– de Geert Groote te Amsterdam –
ging ik die nog een keer doen
maar op de openbare (Europaschool)
– 1975 / 1976, Buitenveldert –
en daarna was ik steeds
groter en wat sterker
al was ik nog een kind met kinderen
en deed een jaartje min of meer
er niet zo toe al hield ik mij
juist daardoor staande en groot
vanaf de tweede klas, de CNS, in Uithuizen
en het “gym”, het WLG, te Groningen
waar ik ben gebleven, die stad,
en blijven plakken; ik deed
een poging wijs te worden met filosofie
maar strandde in mijn hoofd
Ging noodgedwongen even weg
van dat denken aan dat al
en ik moest toch wat
wat ik nog durfde, “iets praktisch”
en voltooide als een wat oudgediende
dat HBO Milieukunde, aan het Van Hall
en liep stages:
bij het hoofdkantoor van De Heidemij (Arnhem)
(afdeling Milieu Effect Rapportage)
– stressen joh, die bazen! En leuk zo van de zijlijn –
en zo’n bodemonderzoeksburo te Kamerik
Het bleek geslaagd allemaal niet aan mij besteed
al die praktijk
En ik viel weer en mijn hoofd en moed
lieten niet veel meer toe
dan veilig praten met de medemens
met een lijntje ertussen
en dat borduurt voort.
Alsnog
Was ik maar
een rups, dan kon ik
een vlinder worden
De rups daarentegen
heeft daarvan geen flauw benul
en eet maar dat het een lieve
lust is en als het tegenzit
wordt ie nog gegeten ook
en dient zo alsnog
laagbijdegronds het leven.
Hoe klein geloof
peinst (pijnt):
Als god (of God, voor mijn part) zo groot is – of welke goddelijke, godgelijke dan ook -, waarom moeten mensen die volgens zijn (haar?) gelovigen dan (god)lasterlijke uitspraken doen, of zich zelfs gedragen tegen zijn/haar Wil, dan door zijn/haar gelovigen bestraft worden (tot verminking of zelfs de dood aan toe)?! Als die zondaars toch al naar de hel – zouden – gaan, waarom zou je je dan als gelovigen nog bemoeien met die goddelijke wil? (Zou men als gelovige toch niet écht geloven in die goddelijke straf??? )
Waarom neemt de gelovige zo’n aanstoot aan godslastering en godslasterlijk gedrag? Lees verder “Hoe klein geloof”
Opkomst en teloorgang van beschavingen
een beschaving die steeds complexer en steeds meer succes heeft – rijker, grotere bevolking, meer macht, meer kunde, meer kunst – die gaat op termijn aan z’n eigen succes ten onder (door de toegenomen complexiteit en te weinig vermogen om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden(?) ).
Vroeguh omspanden beschavingen slechts (kleinere) gedeelten van de wereld, van de aarde. In de huidige tijd zou je kunnen zeggen, ondanks alle verschillende smaken, dat er niet veel meer is dan één beschaving die onderhand de hele aarde omspant, met haar technologie, wetenschap en consumentisme. Tja, buiten de aarde zelf is er niet echt meer een andere – naar het zich laat aanzien – ruimte van waaruit een andere beschaving kan opbloeien. Als er al iets van een nieuwe beschaving ontstaat, dan kan dat niet anders dan op en in de plaats van de huidige; laten we hopen dat de puinhopen niet te groot worden.

