IJs en weder dienende

Drie heuse winters op rij
naast gemiddelde hoge temperatuur
verwacht ik dat ik tot sint juttemis
kan wachten
op nog zo’n elfstedentocht
en op plaatjes die doen denken
aan 17e-eeuwse ijsgezichten
en aan de kou die verbroedert
doet smelten en de schoenen
die zomaar liggen aan de kant.

 
 
 

Kanttekening

Een bladzijde, het duurt
me te lang, die woorden
die zich aaneenrijgen
tot een pagina vol
zwart op wit
ik weet niet
wat er van te brouwen
het zal me berouwen
ik weet het
maar wie zegt
dat kennis macht is
vergist zich deerlijk.

 
 
 

Op de blauwe envelop

Blauw, blauw, kom nou gauw
maar dan toch niet zo’n envelop
die bezorgde mij al dikwijls hartklop
z’n boodschap ik meestal niet hebben wou

Heel soms als ik ‘m open scheur
blijkt de kool wel waard ’t sop
klaart de lucht meteen weer op
en stelt de inhoud niet teleur

Maar is de mededeling niet zo fijn
Het zal toch ergens goed voor zijn.

 
 
 

Het staat als gedrukt

Talloos blijven immer nog de zaken
waaraan geen woorden worden gewijd
of vuilgemaakt in zwart of wit

Het zijn de zaken van alledag
die niet vermeldenswaard zijn
waarmee iedereen te kampen heeft


maar er zijn meer en meer narcisten
anders dan die met een vette knipoog
zichzelf ook wel eens te kakken zetten

Het zijn de zaken van alledag
van leven en dood die schrijnen
waarmee iedereen te kampen heeft.

 
 
 

Gemankeerd

Een brood en broodbeleg, wat fris en drank en boter en ook nog chips
en vaseline
Een rugtas met wat peutervoeding en een speeltje
en een camera
en vaseline

De kinderen houden niet van zo’n man.

 
 
 

Voor hetzelfde geld een omwenteling

Het geld groeit niet op mijn rug
Maar ook elders groeit het niet
Behalve waar je de drukpers ziet
daar is de aanwas wonderlijk stug

Zolang de zon nog schijnt
en de sterren schitteren met pracht en praal
en het motto is: pluk ze kaal
De armoe achter de horizon verdwijnt

De aarde echter, die draait door
Geen omwenteling gaat ooit teloor.

 
 
 

Nog even en de zee

Zand op de bodem van de zee
op de stranden van de kusten en in de wind
De sterren zijn verder maar de oceanen
zijn nog diep genoeg, maar niet diep genoeg
dat de mens er voor even haar sporen nalaat.

 
 
 

Ezeltje strek je

De sterren roepen
op Hollywood boulevard
twinkelen, heel erg voor elkaar,
niemand die denkt dat ze moeten poepen

op de rode loper, op het scherm al dan niet 3D
Een illusie, dat is ’t hele idee.

 
 
 

Weeskind

In de hof van Eden staat een kind
Het er geen mens meer vindt
De resten liggen neer in stof
Dwaalt door ’t industriĆ«le kerkhof

Waar geen kerk te vinden valt
god noch gebod roept halt
kabbelt de tijd rustig door
ook al vindt die nergens gehoor.

In de hof van Eden staat een kind
Het verdwijnt gezwind.

 
 
 

Ooft

De gouden bergen die worden beloofd
Door de schittering raak ik verdoofd
Maar God zij geloofd
Het blijkt een waterhoofd

Wie dat heeft bekokstoofd
moge die van zinnen worden beroofd.