Ach ja

Zomaar, of eigenlijk niet zo
werd ik aangesproken aan de rand
van het Hoornsemeer, de uithoek ervan
door een jonge vrouw
– natuurlijk mocht ze me iets vragen desgevraagd –
of ze er wel zou kunnen schaatsen
want zomaar als niemand anders al op ’t ijs
dan vertrouwde ze ’t niet
en met mijn serieuze camera om mijn nek
en/of mijzelf
boezemde ik blijkbaar wat vertrouwen in
op een oordeel

waarop zich een gesprekje ontspon
niet van enige warmte gespeend
daar aan de rand van het ijs
waarbij ik haar aarzeling deelde
hoewel in de verte een eenzame schaatser
of twee
het ijs trotseerden met ogenschijnlijk gemak

– O ja, zo te vliegen, leek me heerlijk
maar ja, mijn knieën, mijn conditie
het was al 15 jaar geleden
dat ik op de ijzers stond –

Even verderop, gewoon rechtdoor zeg maar
ligt de echte Hoornseplas
in plaats van het Hoornsemeer hier
en daar is het niet zo diep ook

Zo fietste ze ervan door
na een wederzijdse wens van plezier.

Durf

Mijn hele leven taal ik eigenlijk
wel naar
– en wie niet –
naar wie me aanspreekt
naar mezelf
en dat we dan onszelf zijn
zo met elkaar.

God mag het weten

Wat als je eenmaal
niet meer overeind kan komen
– en dat komt, of
men weet hoe cellen werken
en kopieën maken, echte kopieën, zondermeer –
en je bent aangewezen
op een buur, op een broeder of twee
van de ambulance of van zo’n politie
of een zorger uit de mantel
– of uit de hoge hoed –
of misschien over enige jaren
– ik hoop dat ze leuk zijn –
een twiedeldiedum bliep bliep
versie 103.7348
waaraan je je wel degelijk hebt gehecht

wat als alles niet meer helpt
en je bezwijkt
aan de teloorgang van jezelf?

Goedheiligman

Lang gelee kwam ik ter aard
toen moederlief mij had gebaard
Een lange weg, een leven
Hoewel, per saldo is het om ’t even
in het licht bezien van zoveel tijd
en alles wat ons deerlijk scheidt

Maar al dat gezegd, in mijn ogen
wil ik het tegendeel, ongelogen
Het liefst leef ik een honderd jaar
of meer, voor nu, dan ben ik klaar

En mocht ik dan alenig zijn
dan is er altijd nog wat marsepein
Zelfs al moet ik zelf spelen
voor sint en piet; wat kan het schelen
als ik toch deel uitmaak van zovelen.

Heupwiegen

Maar ik bleef staan
met nog een drankje in de hand
aan de kant
En de rest
was een feestje
waar men zich vermaakte
waar ik te lang bleef
geen idee hoe ik weg ging
hoe ik er weg kwam
maar ik weet nog
dat ik best wel had willen dansen
en zo meer.

 

Groot

Pap, wil je me
houd je me
sta je pal

tussen mij en de wereld
die ik zo klein als ik ben
nog niet zo vertrouw
die ik zo klein als ik ben
nog overweldigend vind

al klopt mijn hart
al ben ik groter
en weet ik wel
ken ik de woorden wel

en al schoot ik mijn pijlen
tot de boog brak
keer op keer
al scheurde ik met mijn step
over de brede stoep
de hoek om
tot waar mijn wereld ophield

Nog niet zoveel groter
moet ik maar mijn eigen pa zijn.

De pot

In mijn tweede jeugd aanbeland
– hoop ik met stille vreze –
wordt dat alras gelogenstraft
als ik moet
en de wc geduldig wacht
tot ik klaar ben met mijn plas
waaraan geen einde komt
overdreven gezegd.

Ach, kon de tijd maar de pot op
mij niet heus.

Het zou wel mooi zijn

Geen maat
staat er op de mens
De wereld verandert waar je bij staat
De uitblinkers schitteren
gedragen door de dragers
en al het leven in de brouwerij
De smaken zijn zoet en zuur en zout en bitter
Maken we er wat van
dat langer beklijft dan een ijstijd?
Zal iemand nog weten
wie Bach was of Rembrandt
een Leonardo da Vinci
wie Jezus was of Boeddha
wat piramides waren
over een honderdduizendtal jaren?

Vergeet me niet

Dacht ik het niet:
de winter is nakend
het vergeetmenietje vergaan
In mij
draag ik de hete dagen met mij mee
en ik neurie
en ik fluit een deuntje
– het werk is gedaan –
als ik in gedachten de hele wereld omarm

Al laat de kou mij niets anders
dan de kou alleen
tot slot

voorbarig gezegd
maar op je laatste benen
valt er niets meer te dichten.

Wat zal ik?

De dood is nog ver weg
– ga ik vanuit, vooralsnog.
En al heb ik dan geen whiskeyglas
– noch whiskey om te schenken –
het gemoed wil overstromen
over de rand en vloeien
al heb ik dan geen glas
waar ik ’t leven uit drinken mag
ook met lege handen mag ik

Met lege handen mag ik
mijn schreden richten
zelfs doelloos
zelfs stil
mag ik

Alles mag
van de wereld
zelfs al zeggen ze van niet

Zonnen en manen
laten het onverschillig
– van de meesten is het licht
nog onderweg, al zijn ze weg –
of ik leef en wat ik zoal vermag
in die leegte
verluchtigd met leven, met elk deeltje
wat ook maar beweegt

Wat je ook beweegt:
de troost is schraal
als je haar van buitenaf beleeft

Van binnen is het een ander verhaal
een verhaal, inderdaad.