Vergeet me niet

Dacht ik het niet:
de winter is nakend
het vergeetmenietje vergaan
In mij
draag ik de hete dagen met mij mee
en ik neurie
en ik fluit een deuntje
– het werk is gedaan –
als ik in gedachten de hele wereld omarm

Al laat de kou mij niets anders
dan de kou alleen
tot slot

voorbarig gezegd
maar op je laatste benen
valt er niets meer te dichten.

Wat zal ik?

De dood is nog ver weg
– ga ik vanuit, vooralsnog.
En al heb ik dan geen whiskeyglas
– noch whiskey om te schenken –
het gemoed wil overstromen
over de rand en vloeien
al heb ik dan geen glas
waar ik ’t leven uit drinken mag
ook met lege handen mag ik

Met lege handen mag ik
mijn schreden richten
zelfs doelloos
zelfs stil
mag ik

Alles mag
van de wereld
zelfs al zeggen ze van niet

Zonnen en manen
laten het onverschillig
– van de meesten is het licht
nog onderweg, al zijn ze weg –
of ik leef en wat ik zoal vermag
in die leegte
verluchtigd met leven, met elk deeltje
wat ook maar beweegt

Wat je ook beweegt:
de troost is schraal
als je haar van buitenaf beleeft

Van binnen is het een ander verhaal
een verhaal, inderdaad.

Plat

Machtig zijn woorden
en zinnen
verhalen
die je verlokken
eens te meer als ze zijn gedeeld

Je bent de enige niet
die meent dat de aarde plat is.

Maakt niet uit

Onderhuids de aderen
waar het bloed stroomt
Onderhuids de gewrichten
die je bewegen
Verder plooien en ogen
en een mond
oren die met oorlelletjes
of niet
vast zitten aan je schedel
en haren waar je wilt en niet
Ogen die ook mij kunnen zien
mocht het zo geschieden
Een buik
die meer leven in zich heeft
dan in z’n eentje
Een spoortje kwijl in een mondhoek.

Van de leg

Nee, je bent toch meer
meer dan een bonbon
al wil je me wel
en je bent zo helemaal
jezelf, dat ik niet anders
kan dan je verlekkerd te zien
en ben als was in je handen
bijt ik mijn verlangen stuk
tot ik mij heb verloren
in smaken die zich vermengen
in zoet en zilt
weg van de weg.

Leven

O ja, het lichaam dicteert
zelfs als het hoofd vraagt
of het allemaal wel echt is
wellicht een spel van schijn
of als dat verstand zover
gaat dat het zo is:
een spiegelpaleis van beelden
afschaduw van de werkelijkheid

Echter, niks laat zich ontkennen
en ontsnappen is méér een illusie
dan het hoofd zich wel voorstelt
De modder, de vloed en de zon
en de maan en jouw ogen
en je zweet
en de schrammen en blauwe plekken
en je tranen en je lach
en je verlangen naar zoet
en naar wat al niet meer
om je te verliezen
en de spieren en gewrichten
die niet meer zo willen
het oog dat het ook al niet meer goed doet
de vreugde om een behaald doel
en het verlies
het altoos nakende verlies
dat doet reiken naar het volgende moment

Wat je ook wilt
Wat je ook denkt
Geen ontkomen aan

Uitgeput

Wacht! Wacht nou toch even!
Laat dit licht
bij het invallen van de avond
dat de wolken oplicht
banen trekt
en de waterspiegel kleurt

Deze dag begint nu pas te leven
Al was jij het niet
die het afweten liet
en boog je heldere dag
heen om mijn zwarte gat

Minder vaak taal ik meer
ernaar je te drinken
van zongewelde vruchten
in een fles, in een glas
over mijn tong naar mijn gemoed
dat alsnog de lichtheid proeft
van het leven van alledag

al is het
net zo ogenschijnlijk waar
als de wereld op de bodem van de put.

Een dag met corona +

Van 37,8 naar 39,0
Werk afgeblazen
Weer naar bed in de ochtend
Weer op voor de middag

Van wat koud naar warm
en zweten geblazen
Als een zombie
een online afspraak met webcam en al
die dus niet zo zinvol bleek

Dan weer alsof de koorts brak
en even hopen dat ’t daarmee was gedaan
maar allengs stijgt de hitte weer naar ’t hoofd

Toch nog een bord
rijst met broccoliprut gegeten
Met mijn labiele ik een flashmob bekeken
[ van deuntje en dansen op Zorba de Griek in Ottawa ]

om te breken
als mijn gebroken hart opspeelt
en zich dan niet laat ontkennen.
Te moe. Te moe
behalve voor een afwas voor ’t koken
en wat woorden tot besluit.

Bekaf

Voor vandaag
klaar, maar wel
wacht mij nog
een avond om
te verpozen eer
het licht ook
het afweten laat
de stem verstomt
de zin vergeefs
naar woorden tast.

Aangeschoten maar niet wild

Licht versluierd, een bleke zon
scheen niet zozeer op mij neer
maar ook de wind hield niet over
Ik ging gezwind op strakke banden
– op mijn sportieve fiets –
en groette de joggers en de wandelaars
en wie al tegemoet kwam
Zo’n dag was het deze zondag

Als ik zou overdrijven
dan was het glazuur van mijn lach
van mijn tanden gespat
van blijdschap

Gelukkig was ik wel
maar zover kwam het toch niet
Ik denk goed van mijn tandarts:
tot haar verdriet
zal ’t toch wel niet zijn
De herfstbock smaakt fijn !