In verval

Ooit een noest boerenbedrijf
Nu liggen de appels op de grond in december.
Geen landerijen meer, slechts kommervol
stuk verwaarloosd gras rondom
aan de stadsrand, bedrijventerreinen,
villa’s tonen: groei. Daar draait het om
Planken voor de ruiten.

 
 
 

Vergoten

Nee, ik geloof niet
in een god of in vergiet
waar de zonde wordt gefilterd
waar ze achterblijft als droesem
te groot om door de gaten
te spoelen, vruchten van de bloesem
ten behoeve van god
mag weten wat voor baten.

 
 
 

Pffffhh

Met de wind is niks mis,
zolang het de mijne maar niet is,
die ik al dan niet geluidloos laat waaien,
waarmee ik diverse geuren weet te zaaien,
de omstanders laat verlangen af te taaien.

 
 
 

Klasssieke rock

Als ik niet al mijn haar verloren had
zou ik headbangen in mijn flat
op de muziek van de jaren zestig, zeventig
of van Johann Sebastian Bach toch grif,
de grondlegger wat mij betreft van rock
Zijn klaviersolo’s overstijgen de beat van elke klok.

 
 
 

@organistatiecultuur

Neuh, ik leef niet in een derde-wereld-dictatuur
waar de minderheid, cq. de dictator en zijn kliek
bepaalt welke taal gebezigd wordt en plein publiek
Ook hier bepaalt de dwaze minderheid, zo zuur,
de toegestane woorden, onderhevig aan censuur
zich regelrecht voegend naar het gemeen bestuur.

Zich conformerend naar algemeen beleid,
zich aanpassend aan irrationele minderheid,
bang berispt te worden van hogerhand
zijn woorden als “vedomd” taboe hier in ’t land

Ook al staat het in een gedicht
verwacht men van de werknemers en masse
dat men zich laat meeslepen in de tas
waarin het bedrijf haar waren slijt
onder het mom van blijde eensgezindheid
zo op het allereerst’ gezicht

Uit angst om van discriminatie te worden beticht?

Het zegent

Het was niet zo stoer
ik op rolletjes door de regen voer
na een tropische dag nog zwoel
te fietsen met gelukzalig’ smoel

en die nattigheid mij niet deerde
in zomerkledij gestoken, ik ontbeerde
elke bescherming tegen het hemelwater,
plakte die tegen mijn lijf al niet veel later

Overbodig waren dit keer paraplu of regenpak
Met jou in gedachten ging ik op mijn gemak
van a naar b tussen de pijpestelen door,
was dit verfrissend als nooit tevoor.

 
 
 

Wat licht

Huppel ik van licht naar donker,
van verende tred
tot zwaarmoedig sjokken
Daar hoef ik niet voor te jokken
Straks is het uit met de pret.

Ga ik echter van donker naar licht
dan is het weer een heel ander gezicht

En als je je dan ook nog realiseert
Wat is wat? Dat hangt er van af
in wat voor positie je verkeert.

 
 
 

Op slag van slag

Breed lachende mond, ogen rond en kort haar blond
Zomaar daar, duurde het even voor ik mezelf hervond
Nee, geen Zwerver, antwoordde ze op mijn vraag
Ze leek wel op deze en gene, nou ja, vaag

Maar op wie ze dan ook lijkt, dan toch
is ze in de eerste plaats zichzelf,
Al het andere wat mij betreft bedrog
Behalve: geen ander lijkt zo op een elf

Zelfs zonder vleugels komt ze me lichtvoetig voor
en gaat ze er, allicht, met mijn hart vandoor.

 
 
 

Midzomernachtdroom

Wat was hij blij, toen zij zei
Die kende ze nog niet, die grap
Haar tanden bloot lachte in witte rij
Lang, slank, leek ze te dansen in pas op de plaats
Mijn hart ging naar haar uit, mijn lichaam te krap
Fluistert in mij, immer tegendraads

Ze is te mooi om waar te zijn
Stel je niet aan, mijn harlekijn
Ze is voor jouw zinnen toch te fijn
Stel je niet bloot aan nog meer pijn

Fluistert die stem, die angst, zo vilein
ondermijnend wat het mijne zou kunnen zijn.

 
 
 

Zoute dag

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

Veel te vroeg ging de wekker af
en moest ik maken dat ik wegkwam
broodje, tanden doen, drinken in een draf
in voor de hand liggende kleren, nog klam

van de regen van een eeuwigheid geleden
dat eerlijk gezegd nog maar gisteren was
Leid ik mijn fiets door de wind gesneden
Alsof ik behoor tot stoer wielrennerras

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

Alsof geen tegenslag mij kan deren
Een open brug, spoorwegovergang dicht
Die gedachte zal me leren.
Wie voldoende lijdt, raakt vanzelf verlicht,

zo schiet door mij heen,
gevolgd door: schiet me maar af
Kom op glimlach, klaag niet steen en been
Een kogel, dat is ook weer zo laf
 
Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

Zo zet ik door en kom op m’n werk zeik
en zeikenat, maar een paar minuten te laat
ril ik me warm, nog net niet als lijk te kijk,
dep ik me af met wcpapier over haar en gelaat

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

En ja hoor, de eerste klant vaart tegen me uit,
een verhit gesprek, dus ik doe ook maar een duit
in het zakje en sta op mijn strepen van de weeromstuit:
Ik bepaal hier de boel of het is mijn hulp waar u naar fluit

En zet ik u zonder moeite aan de kant
stuur ik u met een kluitje in het riet
Zet de boel voor mijn part in de brand
Ik heb het koud, het raakt me niet.

Daar kreeg ik de klant wel rustig mee,
meegaand zelfs, het was een hele ommekeer
Dus streek ik over mijn hart voor deze keer
en kreeg ik bijna, bijna spijt van lieverlee

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

Maar later, even later maar, sprak de baas me aan
Wie ik wel dacht te zijn om zo uit te varen?
Wilde ik me in het kamp der werklozen scharen?
De laatste keer. Anders zoek je maar een andere baan.

Ja meneer. Nee meneer. Het zal niet meer gebeuren
Loop ik met mijn goede wil te leuren
Maar raak het aan de straatstenen niet kwijt
Ben ik het nu die zich verbijt.

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

Ondertussen droog ga ik over op de autopiloot
Toon me volgens script respectvol
Laat de klant maar denken, wat een drol
Zo houd ik vol en houd me groot.

Vanachter glas zie ik nu ook de zon
doorbreken en wie had dat gedacht
dat die collega me toelacht
En schiet ik haast door ’t plafond.

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

Opgelucht haal ik adem om vijf
De werkdag zit er op
Al met al heeft het niet veel om ’t lijf
Het kan me gestolen worden, die job

Kom ik halverwege en besef dan:
De dag is pas halverwege
De rest komt vast met zege
Een stuk glas doet mijn broos geluk in de ban.

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.

De lucht loopt weg uit de band
en het is nu lopen geblazen
Goed voor de conditie denkt ’t verstand
Straks een paar lekkere glazen

koel en verfrissend bier uit de koelkast
Vind ik mijn weg naar huis
– Nee, nee, het leven is echt geen last –
En daar zak ik weg achter de buis.

Bord op schoot en bier in de hand
is er niets te klagen in dit land
Mag het niet lukken de scherven op te vegen
dan kan men mij altijd nog verplegen.

Nog nooit heb ik het zo verschrikkelijk zout
gegeten, het was een dag van geel en goud,
denk ik overtuigd na een lange, lange dag,
die niet meer stuk kan, als ik geloven mag.